Mondriaan start site voor kind over behandeling 25 februari 2010
Mondriaan, instelling voor geestelijke gezondheid, is de website Mondriaankindenjeugd.nl gestart om kinderen met psychische problemen informatie te geven over de behandeling. Met korte teksten, informatiefolders en filmpjes wordt uitgelegd met welk soort problemen kinderen terechtkomen bij Mondriaan en welke behandelingen er zijn. Ook krijgen kinderen via de website een beeld van hoe hun kamer eruit ziet als ze opgenomen worden, wat ze overdag allemaal mogen doen in de kliniek en waar ze naar school gaan tijdens de behandeling. Mondriaan hoopt met de website de angst die kinderen en jongeren hebben als ze behandeld of opgenomen worden te verminderen. Meer informatie: www.mondriaankindenjeugd.nl Bron: Psy.nl
Veel ouders durven problemen bij de opvoeding niet meer aan te kaarten bij de consultatiebureaus of de Jeugdzorg. Ze vrezen dat ze bekend komen te staan als slechte verzorgers of als ouders die kinderen mishandelen, zegt Justine Pardoen van de website Ouders Online.
Na de kritiek dat de problemen met de gedode peuter Savanna te laat waren gesignaleerd, is de jeugdgezondheidszorg volgens Pardoen doorgeschoten. Sommige hulpverleners zien ouders met opvoedproblemen als potentiële kindermishandelaars.
Ouders Online krijgt naar eigen zeggen een paar keer per week hulpvragen van wanhopige ouders die niet meer afkomen van een onterechte beschuldiging in hun dossier.
Foute inschatting GGD en de organisatie van zorgondernemers ActiZ zeggen zich totaal niet in het geschetste beeld te herkennen. Volgens de organisaties is het opkomstpercentage bij de consultatiebureaus hoog, boven de 95 procent, en zijn de bureaus er juist voor om ouders van jonge kinderen te ondersteunen.
"Het komt natuurlijk wel eens voor dat een jeugdarts of verpleegkundige een inschatting maakt die beter had gekund", zegt een woordvoerder. "Maar voor een speciale vermelding in het dossier moet echt aanleiding zijn. Er zijn namelijk strenge wetten en privacyregels die moeten worden nageleefd."
Samenvatting : Als men aan hechtingsstoornissen denkt, klinken meteen termen als bodemloosheid, huilbaby's, adoptie en pleegkinderen bij de meeste mensen in de oren. Bowlby en Ainsworth (1978) definieerden hechting als volgt: "Hechting is een duurzame en specifieke affectieve band tussen kind en opvoeder(s), die van cruciaal belang is voor een optimale sociale, emotionele en cognitieve ontwikkeling van het kind." Deze omschrijving geeft een goed beeld als eerste oppervlakkige kennismaking met de term hechting. Toch weten we nu nog niet veel meer over de hechtingsproblematiek en schuilt er veel meer achter.
Bowlby en Ainsworth zijn de grondleggers van de hechtingtheorie. In de jaren zeventig gingen er steeds meer moeders buitenshuis werken. Dit had tot gevolg dat er minder tijd was om zich bezig te houden met de opvoeding van hun kinderen. In België en Nederland is het op gang gekomen toen er een stroom kwam van het adopteren van een buitenlands kind. Daardoor werd er in de jaren tachtig meer en meer onderzoek gedaan naar de gevolgen van eventuele schade tussen moeder en kind. Belangrijk voor ons is de hechtingsproblematiek wat meer in de kijker zetten. Omdat het niet zo'n gekend probleem is, wordt er immers vaak een verkeerde diagnose gesteld en denkt men dat deze kinderen bijvoorbeeld ADHD hebben of niet goed zijn opgevoed door hun ouders. Wij willen langs deze weg onze medestudenten en leerkrachten voorlichten over de hechtingsproblematiek.
Jeugdzorg ligt onder vuur. Schriftelijk vragen van het lid Aasted-Madsen – van Stiphout(
Jeugdzorg ligt onder vuur. De parlementaire werkgroep is met een onderzoek gestart. Eindelijk komt er aandacht voor alle kinderen, die vaak onterecht uit huis zijn geplaatst. Hierover heeft Ine Aasted-Madsen onderstaande vragen gesteld. Vele ouders wachten in spanning het antwoord van de minister af. Zullen hun kinderen weer naar huis mogen?
Schriftelijk vragen van het lid Aasted-Madsen – van Stiphout(CDA) aan de minister van Jeugd en Gezin:
1. Heeft u kennisgenomen van de uitzending “Das je goed recht” van SBS6 op 31 januari 2010?
2. Naar aanleiding van deze uitzending zijn zo’n 1000 reacties binnengekomen van ouders die aangeven dat ook hun kind(eren) op basis over onjuistheden en onvolledigheden in de rapportage van BJZ en/of de Raad voor de Kinderbescherming uithuis zijn geplaatst. Wie draagt zorg voor waarheidsvinding alvorens vergaande maatregelen als een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing worden uitgesproken?
3. In de beantwoording van schriftelijke vragen over een escalatie tussen pleegouders en Bureau Jeugdzorg (2009Z24418) geeft u aan dat u niet ingaat op individuele casuïstiek, datzelfde horen we van de Inspectie Jeugdzorg. Wie houdt zich in Nederland wel bezig met individuele casuïstiek binnen de Jeugdzorg, als men het functioneren van de Jeugdzorg aan de orde wil stellen?
4. Bij welke onafhankelijke partij kunnen deze ouders terecht om een dossier tegen het licht te laten houden, eventueel aanvullende informatie te laten vergaren en opnieuw te laten beoordelen met een bindend advies?
5. Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten doen naar deze individuele casuïstiek, waar ouders en kinderen mogelijk op basis van onjuistheden en onvolledigheden van elkaar gescheiden zijn?
6. Hoe gaat u voorkomen dat in de toekomst zaken als feit in rapportages worden opgenomen, zonder dat daarbij waarheidsvinding heeft plaatsgevonden?
7. Wilt u deze vragen binnen de gestelde termijn van drie weken beantwoorden op deze website?
AMSTERDAM - Jeugdzorg stuurt jaarlijks honderden kinderen naar het buitenland. ‘Het is vreemd dat hier maar mee wordt doorgegaan.’
De Amsterdamse Bas (12) verbleef afgelopen najaar in Frankrijk op een camping bij Nederlandse gastouders. Dat ging ongeveer zo: om zeven uur op, anderhalf uur les via de webcam en daarna aan het werk met schuurpapier en een houten deur. Om twaalf uur lunch, weer anderhalf uur onderwijs op zijn computer en daarna opnieuw de handen uit de mouwen: appels plukken, dieren verzorgen en schuren aan de houten vakantiehuisjes die zijn gastgezin wil gaan verhuren.
Bas is door de rechter uit huis geplaatst. Zijn moeder heeft een verstandelijke beperking en woont elders; zijn vader kan de opvoeding niet alleen aan. Bas is soms agressief, speelt thuis de baas en wordt snel boos.
Bureau Jeugdzorg stuurde hem naar een project in de buurt van Limoges. Dat werd volgens zijn tante Gerda Topman, die het regelwerk voor haar neefje op zich neemt, een drama. ‘Hij had heimwee en verveelde zich ’s avonds kapot, want er was niks te doen. Ja, deuren schuren. Lekker makkelijk, zo’n goedkope werkkracht. En hij kreeg nauwelijks onderwijs.’ Het verblijf werd na tweeënhalve maand voortijdig beëindigd – nu zit Bas in Nederland in een gesloten jeugdzorginstelling.
Jaarlijks worden enkele honderden kinderen door jeugdzorg naar Frankrijk, Denemarken of Engeland gestuurd om te survivallen of te werken bij de boer of op een camping. Vorige week verscheen een kritisch rapport van de Inspectie Jeugdzorg: er zijn jongeren die werkdagen maken van 14 uur, gastouders zijn soms niet capabel en schreeuwen en schelden. Soms krijgen kinderen die niet willen werken zelfs geen eten. De afstand maakt goed toezicht bijna onmogelijk.
Kunnen de kinderen niet net zo goed bij een Nederlandse boer aan de slag? Nee, zegt manager Theo Ruikes van Tender Jeugdzorg in West-Brabant. Hij werkt aan een promotieonderzoek naar de effectiviteit van de buitenlandprojecten. ‘Als het alleen gaat om activiteiten die jongeren hun dagritme teruggeven, kan dat ook in Nederland. Maar de jongeren die wij naar Frankrijk sturen, staan onder zeer negatieve invloed van hun omgeving. Denk aan vrienden die hen meeslepen in drugs of criminaliteit.’
Een geïsoleerd verblijf op een afgelegen plek over de grens werkt het best om die negatieve banden af te snijden, meent Ruikes. Tender stuurt per jaar zo’n twintig jongeren voor vijf maanden naar Frankrijk. Dat zijn geen pretreisjes. Ruikes: ‘Om zes uur ’s ochtends met je laarzen in de stront koeien melken is geen lolletje. Daarom daalt de motivatie van jongeren vaak de eerste weken. Maar daarna krijgen ze door de klusjes ook zelfvertrouwen: ik kán iets.’
Dat een tijdje geïsoleerd leven louterend kan zijn voor probleemjongeren, daarover is iedereen het wel eens. Maar daarna? ‘Dan begint het pas, want bij terugkeer zijn er weer de problemen met school, ouders en verkeerde vrienden’, zegt bijzonder hoogleraar jeugdrechtspleging en hoofddocent pedagogiek Ido Weijers. ‘De jongere is dan misschien wel veranderd, maar zijn omgeving niet.’
Weijers haalt internationaal onderzoek aan, waaruit blijkt dat buitenlandprojecten geen positief effect hebben op de recidive. ‘Dat weten we al heel lang. Het is daarom vreemd dat er toch maar mee door wordt gegaan.’
In Nederland is Ruikes de eerste die de effectiviteit meet. ‘Mijn ervaring is dat jongeren na een tijd minder probleemgedrag vertonen. En ze hebben meer zelfvertrouwen. Maar ik kan dat nog niet wetenschappelijk onderbouwen.’
Hij wijst er op dat de nazorg minstens zo belangrijk is als het verblijf zelf. De jongeren die via Tender naar Frankrijk gaan, werken daar aan een gedetailleerd plan voor hun leven bij terugkeer. Weer in Nederland krijgen ze nog minstens een half jaar hulp. Ruikes: ‘Je moet het hele traject strak begeleiden. Anders stranden de goede bedoelingen in hobbyisme.’
Onlangs werd op locatie Lucas van de Ommelander Ziekenhuis Groep de 500st baby aangemeld voor advies, begeleiding en babymassage.
Persbericht Delfzijl / Winschoten, januari 2010
De gebeurtenis ging niet ongemerkt voorbij. Baby Jonathan en zijn moeder ontvingen op 25 januari jl. bloemen uit handen van kinderarts mevrouw Leonie Pierik. Wanneer na de geboorte een baby steeds meer huilt, niet goed slaapt, onrustig is of bijvoorbeeld veel last heeft van darmkrampjes, weten ouders vaak niet meer wat ze moeten doen. Ouders krijgen veel adviezen en gaan van alles proberen om een oplossing te zoeken. Al deze verschillende adviezen geven vaak een averechts resultaat. Daarom worden op locatie Lucas sinds 2001 ouders individueel begeleid om babymassage te stimuleren. Ook krijgen zij adviezen op maat. Ouders worden voor begeleiding via de kinderarts doorverwezen.
Gesprekken
In een eerste gesprek met de ouders worden de bestaande problemen besproken. Aan de hand hiervan krijgen ouders adviezen en achtergrondinformatie over deze adviezen, zodat zij goed op de hoogte zijn van de effecten hiervan op hun baby. Zo krijgen ouders bijvoorbeeld informatie over huilen, troosten, slapen, regelmaat en lichaamstaal van hun baby. In het tweede gesprek wordt het verloop verder begeleid. Ook wordt dan de positieve uitwerking van babymassage besproken en dat het een uitstekende manier is om intensief contact met de baby te hebben. Babymassage geeft ontspanning, betere slaap, goede groei en het stimuleert de hechting tussen ouder en kind. Ouders worden op deze manier zelfverzekerder in de zorg voor hun baby. Wel is het belangrijk dat de ouder positief tegenover het masseren staat, anders levert het niet de gewenste resultaten op. Er wordt altijd in overleg met de ouder(s) aan babymassage begonnen.
Couveusebaby’s
Ook prematuren (te vroeg geboren baby’s) en zieke pasgeborenen kunnen veel baat hebben bij babymassage. Er kan sprake zijn van een verstoorde hechting tussen ouder en kind door de noodzakelijke opname in het ziekenhuis. Hier kan babymassage beide weer dichter bij elkaar brengen. Ook de ontwikkeling van deze baby’s wordt door de babymassage positief beïnvloed. Niet alleen het omgaan met hun baby wordt met de ouders van couveuse-kinderen besproken, ook datgene waarop ze kunnen rekenen bij thuiskomst van hun baby.
Tien jaar geleden begonnen
Circa tien jaar geleden was de heer Elias de eerste kinderarts die een baby doorverwees voor babymassage naar kinderverpleegkundige mevrouw Greetje Teuben. Babymassage gaf bij deze baby goede resultaten. Hierna volgden al snel meer baby’s voor massage. Nu is de begeleiding en advisering niet meer weg te denken uit het ziekenhuis. Sinds twee jaar begeleidt en adviseert ook collega kinderverpleegkundige mevrouw Elles Dijkman de ouders. Mevrouw Dijkman is, evenals mevrouw Teuben ook docent Shantala babymassage (Shantala is ritmische ontspanningsmassage). Het blijkt dat de behoefte aan deze gespecialiseerde zorg steeds groter wordt. Daarom worden deze activiteiten binnenkort ook uitgebreid naar de locatie Delfzicht!
Op deze website vindt u voortaan informatie over het project 'Allemaal opvoeders'. Dat we allemaal opvoeders zijn wil zeggen dat iedereen medeverantwoordelijk is voor het opvoeden van kinderen in de omgeving. Ouders hebben behoefte aan steun bij de opvoeding. Dat kan in formele en informele netwerken in de buurt, rond de school en langs de zijlijn van het sportveld. Zo ontstaat er een positief opvoedklimaat, waar kinderen en jongeren profijt van hebben.
Versterking van opvoednetwerken
De verantwoordelijkheid voor de opvoeding is de laatste decennia steeds meer een geïsoleerde gezinsverantwoordelijkheid geworden, waardoor ouders overbelast kunnen raken. Uit onderzoek blijkt dat ouders meer behoefte hebben aan informele steun bij de opvoeding. In wijken met meer sociale samenhang blijken risico's in de opvoeding, waaronder kindermishandeling, af te nemen. Versterking van informele netwerken verhoogt de pedagogische en sociale kwaliteit van de woonomgeving. Als laagdrempelige voorziening voor ouders, kinderen en jongeren kan het Centrum voor Jeugd en Gezin die versterking in gang zetten.
Twaalf proefgemeenten
De komende twee jaar verkennen twaalf gemeenten in proefprojecten de 'pedagogische civil society': de formele en informele netwerken rond gezinnen. De proefgemeenten worden daarbij ondersteund door het Nederlands Jeugdinstituut en de Universiteit Utrecht. Het doel van het project is het versterken van de informele sociale steun en te onderzoeken hoe dat kan gebeuren via de Centra voor Jeugd en Gezin. Op de website van het Nederlands Jeugdinstituut vinden gemeenten en beroepskrachten in de jeugdsector informatie over het project Allemaal opvoeders: over de achtergrond en betekenis van gezinsnetwerken en hoe die versterkt kunnen worden. Daarnaast zijn er voorbeelden van succesvolle en inspirerende activiteiten in binnen- en buitenland.
Vrijwillige inzet
Het project 'Allemaal opvoeders' is onderdeel van het programma 'Vrijwillige inzet voor en door jeugd en gezin'. Dit programma wordt, in opdracht van het ministerie voor Jeugd en Gezin, uitgevoerd door ZonMw. Het programma richt zich op het versterken van formele en informele steun voor gezinnen.
Kinderen met hechte ouderrelatie zijn minder angstig
Kinderen met hechte ouderrelatie zijn minder angstig
10 april 2008
Kinderen met een veilige gehechtheidsrelatie met de ouder kunnen beter omgaan met spannende situaties dan kinderen met een onveilige gehechtheidsrelatie. Dat blijkt uit het proefschrift 'Physiological Reactivity to Fear in Children' van Renske Gilissen, waarop zij op 16 april promoveert aan de Universiteit Leiden.
De beschreven onderzoeken in dit proefschrift richten zich op de vraag waarom sommige kinderen meer angst ervaren dan andere tijdens twee spannende situaties: het kijken naar een spannende film en het houden van een korte spreekbeurt. Drie factoren die hierbij van invloed kunnen zijn werden onderzocht: het temperament van het kind, de gehechtheid van het kind aan de ouder en een aspect van de genetische bagage van het kind. De hoeveelheid spanning bij 4- en 7-jarigen werd gemeten aan de hand van de hartslag en zweetproductie. Het zien van het spannende filmfragment bleek vooral spannend voor kinderen die van nature angstiger zijn en een minder goede band hebben met hun ouder, terwijl angstige kinderen met een betere band met hun ouder de minste spanning vertonen. Kinderen met een angstiger temperament lijken meer ontvankelijk voor de kwaliteit van de gehechtheidsrelatie dan minder angstige kinderen. Ook vonden ze dat de hoeveelheid spanning tijdens een spreekbeurttaak afhankelijk is van de gehechtheid van het kind en het serotonine-transporter-gen (5-HTTLPR), waarvan in ander onderzoek is gebleken dat varianten van dit gen kunnen samenhangen met angst. Kinderen die een bepaalde variant van het gen hebben (de lange variant; ll) en een veilige gehechtheidsrepresentatie lieten op grond van hun zweetproductie de minste spanning zien tijdens de spreekbeurttaak en lijken dus het best beschermd tijdens deze spannende situatie. Gilissen pleit voor meer onderzoek naar de kenmerken van de meest kwetsbare kinderen. Zij kunnen mogelijk meer gerichte ondersteuning krijgen of meer beschermd worden opgevoed om hun angst te verminderen.
AMSTERDAM - Baby’s van ouders met een lage opleiding en een laag inkomen zijn lastiger dan baby’s van ouders met een hoge opleiding.
Ze vertonen meer stressverschijnselen: ze huilen harder en langduriger bij normale handelingen als in bad gaan, aankleden of luiers verschonen. Ook vallen ze moeilijker in slaap, zijn ze sneller afgeleid en reageren ze heftiger op veranderingen.
Dat blijkt uit promotieonderzoek van het Erasmus MC onder 5.000 baby’s en hun ouders. Het verschil in temperament tussen de baby’s was zes maanden na hun geboorte al merkbaar.
Volgens onderzoeker Pauline Jansen waren de baby’s van laagopgeleide ouders ook motorisch onrustiger: ‘Die baby’tjes lagen heel veel met hun armen en benen te zwaaien. Ze konden zichzelf moeilijk stilhouden.’
Dat de baby’s een moeilijk temperament hebben, is deels aangeboren. Maar een belangrijke oorzaak is ook dat ouders met een lage sociaal-economische status meer stress hebben, zegt Jansen. ‘Dat heeft ook in de eerste maanden al invloed op het gedrag van baby’s.’
‘We zagen bij die moeders vaker psychische problemen. Soms liep het ook niet lekker tussen de ouders. Bovendien zitten er in die groep veel meer alleenstaande ouders. Bij de laagst opgeleiden was 22 procent van de moeders alleenstaand, terwijl bij de hoogst opgeleiden slechts 3 procent alleenstaand was.’
Een lastiger temperament is vaak een voorbode van gedragsproblemen later, zoals angststoornissen, ADHD, en problemen op school, zegt Jansen. ‘Daarom is het belangrijk dit vroeg op te sporen. Artsen en consultatiebureaus moeten zich er bewuster van zijn dat mensen met een lage opleiding vaker stress hebben. En dat die mensen wel een steuntje in de rug kunnen gebruiken, bijvoorbeeld opvoedingsondersteuning. Ouders moeten ook meer worden voorgelicht over het effect van stress op hun kinderen.’
Jansen onderzocht ook de invloed van werken tijdens de zwangerschap op het gewicht van de baby. Daaruit blijkt dat vrouwen die fulltime werken kleinere baby’s krijgen dan vrouwen die parttime werken, ongeacht de stress die ze ervaren.
‘Dat komt vermoedelijk doordat deze vrouwen lichamelijk vermoeider zijn’, zegt Jansen. Gemiddeld scheelt het volgens haar 45 gram. Eerder onderzoek toonde wel aan dat stress op het werk bij de moeder tijdens de zwangerschap het gewicht van de baby nog meer vermindert.