
EEN MUUR
VERSPERT MIJN LEVENSWEG OP WEG NAAR 'T GROTE LICHT;
DIE MUUR IS DOOR MIJZELF GEBOUWD, MET BEIDE OGEN DICHT.
REEDS IN MIJN EERSTE LEVENSJAAR BEN IK AAN DE MUUR GAAN BOUWEN
EN IK KREEG HULP VAN IEDEREEN, MET METSELEN EN SJOUWEN.
NU ZIE IK DUS HET LICHT NIET MEER, AL WEET IK DAT HET ER IS,
NU STAAT DE MUUR MIJ IN DE WEG EN IK BLIJF IN DUISTERNIS.
VAN BOVENAF IS LAATST DE MUUR WAT SCHEUREN GAAN VERTONEN;
JUIST TOEN IK 'T REPAREREN WOU, ZAG IK DOOR EEN SPLEET DAT SCHONE,
DAT HELDERE OOGVERBLINDEND LICHT, IK WILDE ER NAARTOE,
MAAR ACH, DE MUUR WAS VEEL TE HOOG, IK WAS BOVENDIEN TE MOE.
'T VERLANGEN NAAR HET GODDELIJKE LICHT KWAM STEEDS WEER BIJ MIJ BOVEN
'T IS GEK, MAAR ALS IK EROVER SPRAK, WILDE NIEMAND MIJ GELOVEN.
TOTDAT IK LAATST MET IEMAND SPRAK, EEN VRIENDELIJKE MAN,
DIE VERTELDE OVER HET SCHONE LICHT, HIJ WIST ER HEEL VEEL VAN.
HIJ ZEI MIJ OOK, WAT IK MOEST DOEN OM ER DICHT BIJ TE KOMEN;
IK MOEST, ZEI HIJ, SNEL AAN DE SLAG EN OPHOUDEN MET DROMEN.
ZO BIK IK NU, JAAR IN JAAR UIT, DE STENEN VAN MIJN MUUR
EN GROTE BLIJDSCHAP VULT MIJN HART, ALS IK DOOR EEN SPLEETJE GLUUR.
BEDANKT OH GOD, DAT U MIJ HELPT DE MUUR WEER AF TE BOUWEN,
ZODAT IK WANNEER HET IS VOLBRACHT, UW GOEDHEID KAN AANSCHOUWEN.
schrijver onbekend.