De kleine kinderen, o zo klein. Willen graag bij moeder zijn. Op moeders schoot, op moeders arm Daar zitten ze zacht, daar zitten ze warm. Maar worden die kleintjes al wat groot Glijden ze van moeders schoot. Dan spelen ze liever op de grond Maar drentelen toch bij moeder rond. En worden ze al wat flink ter been Dan trippelen ze al naar buurman heen. Zo gaat het verder telkens keer Bij moeder blijven ze niet meer. Ze worden groot, ze worden sterk Ze gaan naar school en dan naar het werk. En eindelijk is de knaap een man Die zelf de kost verdienen kan. En eindelijk is het meisje een vrouw Die zelf graag moeder wezen wou. Dan gaan ze ver de wereld in En maken een eigen huisgezin. Dan zijn ze niet meer kindertjes klein Maar willen toch graag bij moeder zijn.