Voordat de moeder van Gijs het deksel op de braadpan legt,
telt zij nog even de ballen gehakt.
Ja, ze heeft goed geteld. Het zijn er precie…
Voordat de moeder van Gijs het deksel op de braadpan legt,
telt zij nog
even de ballen gehakt.
Ja, ze heeft goed geteld.
Het zijn er precies dertien.
Als de hoogmis is afgelopen komen ze allemaal weer thuis.
Gijs zijn ouders zijn Rooms Katholiek.
Het hele gezin, alle kinderen, zijn met Pa meegegaan naar de kerk.
De hoogmis begint ’s morgens om negen uur.
Als je zes jaar bent ga je voor de eerste keer ter communie.
En voor die communie mag je s’ morgens niet eten.
Ook kinderen van zes jaar eten dan niet.
Dat is een voorschrift van de kerk.
Rond elf uur stappen ze allemaal weer binnen.
Als ze even later rond de tafel zitten, haalt moeder de dampende braadpan.
Na het bidden begint het zondagse feestmaal: brood met jus.
Jus, gemaakt van gehakt!
In de week maakt moeder heel andere jus.
Die jus wordt gemaakt van gesmolten vet.
En de kleur wordt bruin door een paar schepjes Buisman.
Buisman wordt gebruikt bij het koffie zetten.
Een schepje Buisman maakt de koffie bruiner.
Dan heb je minder koffiebonen nodig.
En de koffie is toch mooi bruin.
Maar voor jus blijkt Buisman ook heel handig.
De jus wordt er zonder vlees toch prachtig bruin van!
Wie geen geld heeft moet slim zijn!
De zondagse jus van gehakt, is de echte jus.
Die wordt speciaal voor de zondagochtend gemaakt!
Iedereen laat het zich heerlijk smaken.
De ballen blijven nog onaangeroerd.
Die komen vanmiddag aan de beurt.
De zondagen gaan heel snel.
En voor je het weet is het vier uur.
Tijd al weer voor het middagmaal!
De tafel is gedekt.
Na het bidden, verdeelt moeder de ballen.
Vader het eerst. Dan zijzelf .
Daarna komen alle elf kinderen aan de beurt.
De kinderen wachten verlangend op hun bal.
Als er nog drie ballen in de pan liggen kijkt moeder verbaasd rond.
Hoe kan dat nou?
Er zijn nog vier wachtende monden en drie ballen in de pan.
Nog eens tellen! Nee het zijn er echt nog maar drie.
Moeder kijkt alle borden na.
Nee, niemand heeft twee ballen.
Vanochtend lagen er dertien ballen in de pan.
Dat weet ze heel zeker!
“Wie heeft er een bal gehakt uit de pan gepikt?
Moeder kijkt de kring rond.
Elf onschuldige ogen, en verbaasde gezichten.
“Het waren er vanochtend dertien.
Dat weet ik heel zeker.
Ik heb ze nog nageteld”, zegt moeder.
“Wie heeft er een bal uit de pan gehaald!”
Maar het kroost blijft effen voor zich uitkijken.
“Het tovert hier toch niet? zegt moeder.
Uiteindelijk snijdt ze de drie ballen in stukjes.
En verdeelt zij drie ballen, over de vier borden van de jongste kinderen.
Terwijl mompelt ze: “ ik snap niet waar die bal is gebleven.”
Tenslotte legt zij zich er maar bij neer!
Niemand lijkt het te weten!
Om half acht gaan de ouderen kinderen naar het avondlof.
Daarna is deze zondag ook al bijna weer vergleden in de tijd!
Dinsdags is het strijkdag.
De was is dan droog en gaat gestreken de kast in.
De broeken van de jongste jongens komen als laatste aan de beurt.
Deze broek nog en dan zit het er voor vanmiddag weer op!
Moeder haalt opgelucht adem.
Nog even de voorkant van de broek strijken en klaar is Kees!
Ineens stopt ze. Wat ruikt ze toch? Het lijkt wel vet, of vlees!
De walm ervan komt rechtstreeks in haar neus.
Moeder bekijkt de broek.
Op de zak zit een grote vlek. Een dikke vetvlek!
De wasmachine is de vlek te lijf gegaan, maar moest het onderspit
delven.
De vlek is groot en goed zichtbaar gebleven.
Ineens gaat er een lampje bij moeder branden.
Aha, nu komt de aap alsnog uit de mouw: De bal gehakt!
In deze zak heeft de bal gehakt gezeten van zondag.
In de zak van Ton zijn lange broek.
Het raadsel is opgelost!
Diezelfde middag wordt Ton op het matje geroepen.
“kom jij maar eens hier” zegt moeder, als Ton thuis komt.
“Wat heb je zondag uitgespookt?
Jij, hebt die bal gehakt gepikt!
En in je zak gestopt zodat niemand het kon zien.”
Ton kijkt naar beneden.
Het klinkt niet best!
Moeder is heel boos, hoort hij.
En als moeder boos is krijgt hij er van langs. Dat is zeker!
“Ga de pollepel maar halen”.
Ton sjokt naar de keuken.
De bal was lekker! Maar dit?
Arme Ton!
Hij krijgt er flink van langs .
Ondeugende kinderen verdienen de pollepel!
Dat staat als een paal boven water!
Tja, tijden veranderen!
Een sprookje “Ik wil die tafel” zegt het meisje.
Zij wijst naar één van de vele tafels. Allemaal tafels uit Grootmoeders tijd.
“Ik vind h…
Een sprookje
“Ik wil die tafel” zegt het meisje.
Zij wijst naar één van de vele tafels.
Allemaal tafels uit Grootmoeders tijd.
“Ik vind het een bijzondere tafel.
Waarom weet ik niet” babbelt ze verder.
“Maar die tafel wacht op mij”.
De verkoper van kringloopwinkel kijkt haar aan.
Hij loopt voor haar uit naar de tafel.
“Bedoel je deze?” vraagt hij verbaast. Bijna ontzet.
Hij kijkt naar het spichtige gezichtje .
Het is de lelijkste tafel uit zijn kringloop collectie.
Er is iets vreemds met die tafel, weet hij.
De poten zijn verschillende keren ingekort.
Nu passen er slechts, met wrikken en wegen, nog stoelen onder.
En het tafelblad ziet er echt heel onooglijk uit.
Dom dat hij die tafel ooit had laten komen.
Hij had hem al lang weg willen doen uit zijn collectie.
“Goed hoor” zegt hij nonchalant.
Die is hij kwijt! Hij kan hem missen als kiespijn.
Het meisje gooit haar portefeuille leeg op de toonbank.
Even later loopt zij blij de winkel uit.
Zichtbaar verheugd met haar aanwinst!
De verkoper kijkt haar na. En schudt meewarig zijn hoofd.
De volgende ochtend loopt het meisje ongeduldig door het huis.
De tafel zou vanochtend vroeg worden bezorgd.
Waar blijft hij?
Om 10.00 uur komt er dan toch een auto de straat inrijden.
Hij stopt. Precies voor haar flatje.
Dat moet de tafel zijn!
Ze rent naar het raam.
Kijkt, en inderdaad.
Daar staat de verkoper van de kringloopwinkel voor haar deur.
Ze vliegt naar de intercom.
Korte tijd later staat de man, met de tafel, voor haar deur.
“Hier is de tafel” zegt hij. “ Je hebt hem gisteren al betaald!
“Nou nog veel geluk ermee hoor” mompelt hij, en vertrekt!
Het meisje loopt langzaam om de tafel heen.
Haar ogen strelen het oude, vlekkerige eikenhout.
Haar handen vegen het stof weg.
“Dank je wel!” klinkt het zacht door de kamer.
Ze kijkt verbaasd en vol ongeloof om zich heen.
Wat gebeurt hier? Wie praat er tegen haar?
Ze legt haar oor op het tafelblad.
Het zou toch niet de tafel zijn?
“Dankjewel” klinkt het weer. Nu fluisterend.
“Ik vind je echt mooi” zegt ze terug.
Ze hoort haar eigen stem, door die anders zo stille kamer.
“Waarom vind jij mij mooi?” klinkt het nu iets luider.
“Niemand wilde mij hebben.
Ik wachtte al heel lang op iemand.
Ik ben misvormd.
Mijn poten zijn een paar keer ingekort.
En ik wiebel een beetje.
Eén poot is iets korter dan de anderen."
De stem is nu bijna niet meer verstaanbaar.
“Waarom vertel je mij dat allemaal?” vraagt het meisje.
Haar stem klinkt een beetje boos.
“Dacht je soms dat ik dat niet had gezien?” roept zij.
“Maar waarom kocht je mij dan?" gaat de tafel halsstarrig door.
“Omdat ik je bijzonder vind.
En ben je dan soms niet bijzonder?”
Ze stampt met haar voet op de grond.
“Welke tafel kan er nu praten?
En nu besteed ik er geen woord meer aan.
Je bent en blijft nu bij mij! Basta uit”.
“Natuurlijk, natuurlijk”, antwoordt de tafel.
Ik wil niet eens meer weg!
Mag ik voor altijd bij je blijven?”
“Zo lang je zelf wilt !” antwoordt het meisje.
Ze loopt naar de kast.
En haalt het mooiste tafellaken dat ze heeft, tevoorschijn.
Ze vleit het kleed, voorzichtig, uit over het tafelblad.
Met haar handen strijkt zij de valse vouwen glad.
“We gaan straks samen gezellig eten.
Het is lunchtijd!” zegt ze.
Terwijl ze de tafel dekt, denk ze: wat voel ik mij blij vandaag!
Wat goed van mij dat ik deze tafel kocht.
“Ben je blij met mij?” vraagt de tafel.
Ze kijkt verrast naar de tafel.
“Ja, heel blij,” zegt ze. Blijer dan ik zeggen kan".
”De tafel fluistert: “Eet smakelijk.
Je maakt mij gelukkiger dan ooit.”
Dit blog gaat over mijn leven van nu.
Want daar zou ik het ook over hebben in mijn blog: het leven van nu.
En dan komt ouder worden om de …
Dit blog gaat over mijn leven van nu.
Want daar zou ik het ook over hebben in mijn blog: het leven van nu.
En dan komt ouder worden om de hoek kijken.
Je bent oud voordat je erg in hebt.
Dat is tenminste mijn ervaring
Ouder worden komt op kousenvoetjes.
Voor veel dingen in het leven geldt: Heden ik. Morgen gij!
Alleen zij, die jong sterven, worden niet oud.
Persoonlijk vind ik oud worden niet erg.
Ik plaats er wel een kanttekening bij: tot nu toe!
Want ik ben nog mobiel. En ik kan nog een heleboel zelf.
Ik ben ook nog behoorlijk vitaal!
Mijn leven kan ik, tot nu toe, tot op zekere hoogten, zelf invullen.
Ik geniet van de alledaagse, kleine dingen.
Alles verloopt in grote lijnen, zoals ik het graag heb.
Het weten: ik word ouder, stapt meestal onverwacht je leven binnen.
De eerste confrontatie begint heel mild.
Dochterlief vertelt dat zij zwanger is.
We worden grootouders! Opa en oma.
En dat is heel leuk!
En dan komen zomaar, twee prachtige, lieve kleinkinderen in ons leven.
En het wordt voller, en zinvoller, ons leven.
Want nu komen de kleinkinderen in de weekeinden vaak logeren!
Het leven is druk en helemaal ingevuld.
Op zondagochtend gaan dan heerlijke croissantjes de oven in.
En de kleinkinderen genieten, zo mogelijk, nog meer , dan wij.
Wij hebben toestemming dat wij hen mogen verwennen.
En dat is in grote lijnen nu onze taak.
Al moet ik wel even slikken, als ik hen voor het eerst Oma hoor roepen.
Maar het klinkt zo lief, dat ik meteen smelt.
Tenslotte als muziek in mijn oren gaat klinken.
Zoetjesaan, bijna onopgemerkt, komen de kleinkinderen minder logeren.
Ze zitten nu op de middelbare school en hebben het druk met van
alles en nog wat.
Wij begrijpen het: zo is het leven.
Zo gaat het, en zo hoort het. Het was bijzonder mooi!
Maar dit moois is ook al weer voorbij! Slik, slik!
Het gaat alleen op een andere manier.
Want nu komen zij, heel vaak, zo maar even langs.
En het is goed zo. Eigenlijk, precies goed.
Op een mooie zomerse dag valt iets te vieren in de familie.
Dochterlief wordt vijftig jaar! Vijftig jaar!
En dan hoor ik te zeggen : waar blijft de tijd?
En ik zeg het nog ook: waar is de tijd gebleven?
Hoe is het mogelijk?
Is het al weer vijftig jaar geleden dat ons eerste kind in het wiegje lag?
En we zo heel, heel blij waren?
Na wat jaartjes staat, op zekere dag, in de tram een jongen voor mij op.
Hij wijst naar zijn zitplaats.
Zegt vriendelijk: “ gaat u zitten!”
Wat een schrik. Zie ik er nu echt zo oud uit?
Maar tegelijkertijd denk ik: wat attent van die jongen.
Wat vriendelijk! Ik ga zitten als een, gracieuze, oude dame.
Ik bedank hem hartelijk!
De jongeman hangt nu voor mij in de lussen.
Het doet hem niets dat hij moet staan, dat is duidelijk.
Mijn onbehagen dat hij voor mij is opgestaan, hang ik daarom maar aan de wilgen!
Ik kijk zittend, als een regerend vorstin, uit het raampje.
Jammer! Is er nu niemand om naar te wuiven?
Ik denk aan de tijd toen ik vijftig werd.
Aan mijn moeder die een paar jaar daarvoor overleed
Ik kijk om mij heen.
Wat heerlijk dat we er allemaal zijn.
De familie wordt groter.
De kleinkinderen brengen ook al aanhang mee.
En wij zijn er bij. Wij maken dit allemaal mee!
Mijn geest voelt zich, en is, in veel opzichten jong.
Ik kan, evenals vroeger, genieten van de kleurenpracht van bloemen!
In de winter, ontroert raken, als ik het geraamte zie van een kale winterboom.
In het voorjaar, verwonderd zijn over de natuur die ontwaakt.
Stil worden, als de eerste blaadjes, in teer groen, uit de knoppen springen.
En in het voorjaar, zie ik nog altijd die geheimzinnige waas boven de bomen.
Ik kan houden van de mensen om mij heen!
Genieten, van de liefde die ik krijg van mijn gezin.
Genieten, van de liefde die ik geef!
De poes liefkozen en verzorgen.
Mijn poes, die samen met ons, een dagje ouder wordt
Dit blijft allemaal gewoon bestaan bij het ouder worden.
Als senior denk ik, meer dan vroeger, aan mensen die geen kinderen hebben.
Of weinig familieleden. Eenzaam zijn!
Niet mobiel zijn.
Ziekelijk zijn. Veel pijn lijden.
Ik hoop zo dat mensen zich niet al te eenzaam hoeven voelen!
Dat wij naar elkaar omzien als tochtgenoten.
Ik doe minder op een dag dan vroeger.
Maar wat zou dat?
Ik hoef ook niet meer van alles.
Wat een rust!
Wat een gevoel van vrijheid!
En, ik kan inkeren in mijzelf. Mediteren. Stil worden.
Er zijn nog veel meer aspecten aan het ouder worden.
Hopelijk, wellicht later meer.
Ik ben nu bijna driekwart eeuw min of meer hier aanwezig.
Met stijgende verbazing zie ik dat de wereld om mij heen steeds sneller verandert…
Ik ben nu bijna driekwart eeuw min of meer hier aanwezig.
Met stijgende verbazing zie ik dat de wereld om mij heen steeds sneller verandert.
Alleen al in het onderwijs zijn de veranderingen niet van de lucht.
Of je er blij mee moet zijn is een vraag.
Want waar blijft de echte oplossing?
Als ik denk aan mijn lagere schooltijd, dat is nu ruim 65 jaar geleden,
ga ik langzamerhand die jaren toch in een ander perspectief plaatsen.
Ons gezin ging naar “De School met den Bijbel."
Het was geen grote school.
Er zaten ongeveer 130 tot 150 leerlingen op.
Soms werden twee leerjaren bij elkaar gevoegd in één lokaal,
omdat er
te weinig kinderen waren voor dat jaar.
Voor sommige kinderen was het spannend.
Want zo kon je ook al iets opvangen
van het volgende jaar.
Voor mij was dat een brug te ver.
Ik had genoeg aan het gegeven van nu.
Ik heb de hele schooltijd slecht opgelet. Verveelde mij mateloos.
Die eindeloze leeslessen waarin je om de beurt hardop moest voorlezen.
Het boekje had je van verveling al een paar keer stiekem uitgelezen.
Eén wand van het lokaal had hoge ramen.
Als ik mijn hoofd iets naar achteren deed, en naar links keek, kon ik de wolkenlucht zien.
Ik zag dat de lucht er iedere dag anders uitzag.
Als de wolken snel voortbewogen keek ik ze verlangend na zover ik kon.
Het zal niet de bedoeling zijn geweest, maar die ramen hadden voor mij een nuttige,
prettige functie.
Gelukkig zat ik op de achterste bank, dat voelde heel vrij.
Ook de platen met Bijbelse taferelen hadden mijn volle aandacht.
En niet te vergeten de taferelen uit de Vaderlandse Geschiedenis.
Op vrijdagmiddag was ik meestal helemaal aanwezig
Dat waren mijn feestmiddagen.
Ook al duurde het feest helemaal één uur.
Als je dan door de lange gang liep hoorde je canons zingen.
Gedichten voordragen.
Of er werd een boek voorgelezen.
In alle lokalen was het laatste uur van de vrijdag een feestuur.
En dat was te horen! Het leek een andere school.
Tekenen stond helaas ook op het program. Minder leuk voor mij.
Beter gezegd, een regelrechte ramp.
Ik kreeg geen lijn op papier, alsof mijn handen werden vastgehouden.
Zo werd het mij toen al duidelijk dat ieder voordeel een nadeel heeft.
En ook dat jaloezie bestaat.
De meeste herinneringen heb ik aan de vijfde en zesde klas.
In klas vijf stond een meester voor de klas die bezeten was van muziek.
Hij leerde ons de toonladder zingen.
Met zijn rechterhand gaf hij met handgebaren de noten van de toonladder aan.
Iedere noot had een eigen gebaar.
Wij zongen die toonladder op allerlei manieren.
Van beneden naar boven en terug.
Of met grote verspringingen.
Het werd ons met heel veel enthousiasme aangeboden.
Ik vraag mij wel eens af of de andere kinderen er ook zo van genoten.
Of zij er ook nooit genoeg van konden krijgen!
En dan het zingen van de canons: Vader Jacob. Brand in Mokum.
De uil zat in de olmen. Hoe geweldig klonk dat!
Het was echt een begenadigd onderwijzer, die meester uit de vijfde klas.
Hij kon ook nog prachtig vertellen.
De overbekende bijbelverhalen gingen leven.
Maar ook de mannen uit de Vaderlandse Geschiedenis stonden op.
De dood van Willem de Zwijger hing met een grote plaat op de muur.
Daar lag hij, halverwege de trap. Dood!
Hij vertelde over mannen die belangrijke, grootse dingen deden voor ons land.
Daardoor werden ze heel belangrijk voor ons.
Na een paar weken had je al die platen in dit lokaal ook wel weer gezien.
En lag er nog een heel jaar voor je.
Het zesde leerjaar is mij het meest bijgebleven.
De hoofdonderwijzer was zijn roeping misgelopen.
Als hij gedichten declameerde werd het een ander mens!
Met de vereiste intonatie in zijn stem.
En zo nodig breed gebarend, ijsbeerde hij
door het lokaal.
Nog altijd klinken die gedichten van toen in mijn oren.
Verrijzen de beelden die werden opgeroepen.
Als hij vol overgave voordroeg: “Zij kwamen na jaren uit Brabant weerom,
met vliegend vaandel en slaande trom”, zag ik het leger over de dijk marcheren.
De oorlogsbeelden zaten tenslotte nog vers in mijn herinnering.
Evenwel, het was nu wel ons leger dat oprukte.
Ik zag het duin voor mij, waar het leger stopte bij de grafheuvel van de gesneuvelde kameraden.
Hoe zij het saluut maakten.
Als laatste eerbetoon het Wilhelmus zongen.
Ik zag “Boerke Naas” met stapkens licht en met de beurze zwaar, naar huis snellen.
En dan als klapper nog het zanguurtje.
De meester was klein van stuk, maar hoe dapper hanteerde hij zijn viool.
Daar stond hij en bespeelde, alsof zijn leven ervan afhing het instrument,
waarop zijn kin rustte.
En wij zongen uit volle borst alle liedjes die wij bij hem en vorige leerkrachten
hadden geleerd.
Die oude liedjes die je nu in zorgcentra nog kunt horen zingen.
Wij zongen ons dan los.
Nu mochten wij er zijn en ons laten horen!
Hoe belangrijk die jaren voor mijn leven waren dringt steeds meer tot mij door.
Natuurlijk, er valt van alles aan af te dingen zoals het vroeger was.
Onze ouders moesten ploeteren om rond te komen.
Hadden meestal veel minder kennis om door te geven.
Daardoor had de school ook zo'n grote taak.
Die eenvoudige onderwijzers van toen hebben waarschijnlijk nooit bevroed
hoeveel zij hebben doorgegeven aan vorming.
En daarmede aan levensgeluk.
Zij maakten tijd vrij voor andere dingen dan alleen kennisoverdracht.
Op de vrijdagen ren ik uit school naar huis. Dan wil ik altijd heel snel thuis zijn.
Maar het blijft een heel eind naar ons huis, een saaie…
Op de vrijdagen ren ik uit school naar huis.
Dan wil ik altijd heel snel thuis zijn.
Maar het blijft een heel eind naar ons huis, een saaie weg.
Over de Dorpsstraat gaat het nog wel.
Daar zijn wat winkeltjes en staan
wat huizen.
Maar daarna komt een heel eind saaie weg.
Er staan een paar grote landhuizen en een rijtje kleine huisjes, en dat is het.
Op vrijdag vind ik het niet erg als ik het hele eind naar huis alleen loop.
Want dan ben ik blij!
Op vrijdag komt broer Johan altijd naar huis.
Hij blijft dan het hele weekeind thuis. Tot maandagochtend.
Dan gaat hij weer naar Leeuwarden.
Daar geeft hij vliegles aan militairen.
Maarten mijn oudste broer is overleden toen hij 22 was.
Nu is Johan mijn grote broer.
Hij is 17 jaar ouder dan ik en ook een beetje mijn vader.
Johan ziet er anders uit dan andere mannen.
Hij draagt een uniform van het leger.
Op zijn schouders zitten mooie gekleurde strepen.
Als hij aan komt lopen van de trein, zie ik de strepen en sterren al van ver.
Ik ben trots op mijn grote broer.
En als ik nu andere kinderen nu over hun vader praten,
kan ik over Johan praten.
Eigenlijk ken ik hem nog maar heel kort.
Toen ik werd geboren, ging hij al snel naar zee.
Hij wilde stuurman worden op een zeeschip.
Het is kort vóór de oorlog als hij vertrekt.
En dan breekt de oorlog uit.
Het schip waarop Johan vaart, wordt beschoten.
Alle matrozen worden gered en komen in Engeland terecht.
Johan gelukkig ook.
De hele oorlog praat mijn moeder over Johan.
Waar zou hij zijn?
Zou hij nog leven?
Af en toe hoort zij iets van hem via het Rode Kruis.
Ze is dan heel gelukkig. Voor even!
En dan gaat zij weer vragen: waar zou hij zijn? Leeft hij nog?
Ze is erg ongerust.
Johan blijft de hele oorlog weg.
Moeder bidt iedere dag voor hem.
En dan komt na de oorlog plotseling een man bij ons aan de deur.
Hij zegt tegen moeder: “Ik heb vanochtend Johan in Brabant gezien.”
“Is het echt waar?” Moeder kijkt alsof zij het niet gelooft.
“Ja, ik heb hem echt gezien! En hij komt zo snel mogelijk naar huis.”
En diezelfde dag nog komt Johan ook thuis.
Mijn moeder gelooft haar ogen niet.
Ik heb mijn moeder nooit meer zo blij gezien als toen.
Maar ook Johan is heel, heel blij.
Hij omhelst mijn moeder.
“Kind, wat ben ik blij dat je er weer bent.
Waar was je toch al die tijd?” is haar eerste vraag.
“Ik ben piloot geworden in het leger.
En ik heb samen met de Engelsen mee het land bevrijd.
Ik heb ook meegewerkt aan de voedseldroppings.”
We luisteren vol ongeloof.
“Ik heb ook nog sigaretten boven het huis gedropt.”
Johan raakt niet uit verteld.
Met Johan komt er een nieuwe wereld binnen.
Als Johan hoort dat Maarten, zijn oudere broer, er niet meer is,
wordt hij heel verdrietig.
Ik kijk maar en luister. Iedereen is blij en ik ben ook heel blij.
Ik was nog geen jaar toen hij vertrok.
Nu weet ik dus hoe hij eruitziet.
Nu weet ik ook wie Johan is.
Het blijft feestelijk in huis nu Johan weer terug is. Ook voor mij!
Soms ga ik op zijn stoelleuning zitten en speel dan dat ik kapster ben.
Ik kam en kap uren lang de weinige haren die hij heeft.
Ik tover de vreemdste creaties en hij ziet er soms niet uit.
Hij laat het allemaal goedmoedig gebeuren.
Het mooiste wat hij mee terugbracht, is zijn vrolijkheid.
Als Johan thuis is, klinkt zijn lach door het huis.
En ’s avonds komen de verhalen over de oorlog.
Hoe hij in een jagertje gevlogen heeft als piloot!
Over de vele vluchten die hij heeft gemaakt naar Nederland.
Als hij aan het vertellen is zegt Moeder: ”je moet naar bed hoor.”
Helaas, arme ik.
“Het is de hoogste tijd, je moet nu echt”.
Er helpt geen moedertje lief aan.
En als ik goed luister, hoor ik hoe gezellig het eraan toegaat in de huiskamer.
Het lot van een kind.
Ik hoor het al als ik bij de achterdeur ben. Er wordt binnen druk gepraat.
Er is visite. Een mevrouw die ik niet ken.
“We hebben vandaag on…
Ik hoor het al als ik bij de achterdeur ben.
Er wordt binnen druk gepraat.
Er is visite.
Een mevrouw die ik niet ken.
“We hebben vandaag onze rapporten gekregen” zeg ik tegen moeder.
Ik leg het voor haar op tafel
Ze kijkt er heel even in, en legt het rapport dan op het theekastje.
Sommige kinderen krijgen een standje van hun vader en moeder als er lage
cijfers op staan.
Wij niet.
Moeder kijkt altijd alleen maar even en legt het rapport dan weg.
Vandaag dus ook weer.
Als ik in september weer naar school ga, zet zij haar handtekening, en klaar is Kees.
Zou ze het goed vinden?
Er staan in ieder geval geen onvoldoendes op.
“Ga maar een kopje thee halen. Corrie is in de keuken” zegt moeder”
Corrie heeft het druk. Ze ziet helemaal rood.
Haar hoofd hangt boven een pan.
Ze is vlees aan het braden, voor morgen.
Morgen komen er 5 tantes op bezoek.
Zij komen altijd een paar dagen na moeders verjaardag.
En ze blijven de hele dag.
Ze eten ook mee met het middageten
"Wil je me helpen met de boontjes?”
Corrie zet een kopje thee voor mij neer op de tafel.
En ook een volle teil met bonen.
Het schoonmaakmesje ligt er bovenop.
Poeh, poeh dat zijn er wel erg veel vandaag!
De volgende ochtend ben ik al vroeg, met een blij gevoel, wakker.
Moeder is al beneden, want ik hoor allerlei geluiden.
Ik weet al wat ze aan het doen is. Even kijken of ik het goed heb.
Ja hoor, ze is voor het middageten aan het zorgen.
Als de tantes een dag komen, eten we vaste prik: boontjes met aardappelen
en vlees.
Plus komkommer. Lekker!
Het is zomer. En op het land staan bonen en komkommers genoeg.
Het is nu negen uur. Het is hoog tijd dat de boontjes op het gas gaan.
“ Zo” zegt moeder” als ze de pan op het gas zet. “ Die brengen we even aan de kook”.
Daarna worden ze op het oliestel gezet.
En, sudderen maar! Tot één uur.
Als de boontjes om 1 uur op tafel staan zijn het slappe slungeltjes.
De oorspronkelijke kleur groen is ver te zoeken.
Meer bruinig of zo.
Toch vind ik ze altijd heerlijk.
Ik ben het nu eenmaal zo gewend.
Als het een uur of 10 is, zie ik ze aankomen, de tantes.
Druk pratend komen ze aanlopen.
Eén tante heeft een paraplu op.
De zon schijnt, en toch een paraplu?
Later begreep ik dat ze dat deed omdat haar bloeddruk heel hoog was.
Ik geloof dat er toen nog weinig, of geen geneesmiddelen, tegen waren.
De zon mijden dat kon wel.
Leuk dat ze er bijna zijn. Gezellig!
Het is een drukte van belang als ze binnen stappen.
Ze praten zoveel, dat ze amper tijd hebben hun mantels uit te doen.
Ze brengen vrolijkheid mee. En kunnen het opperbest vinden met elkaar.
Ik geniet ervan met volle teugen.
Ik kijk hoe ze even later aan tafel zitten.
Naar hun mooie grijze haren.
Het springt en krult alle kanten op.
Bruine ogen, die vrolijk rondkijken.
Twee tantes zijn aan het breien.
Ik word er blij van en weet eigenlijk niet waarom.
Ik kijk naar de foto van mijn vader op de schoorsteenlijst.
Soms ga ik vlak bij zijn foto staan.
Als er geen andere mensen in de kamer zijn. Als ik alleen ben.
Ik kijk naar de foto, en dan naar mijn tantes.
Mijn tantes lijken sprekend op zijn foto, zie ik ineens.
Mijn vader is er al lang niet meer.
Al voordat ik geboren werd, is hij overleden.
Maar nu vandaag lijkt het, alsof hij er ook een beetje is.
De tafel voor het middageten is gedekt. De schalen staan al op tafel.
Moeder bidt hardop zoals altijd.
Twee tantes bidden niet voor het eten. Dat weet ik nog van vorig jaar.
En ook vandaag houden ze hun ogen open.
Waarom bidden ze niet?
Ik durf het niet te vragen.
De hele dag blijf ik erbij. Ik wil niets missen van het feest.
Gelukkig blijven ze ook nog de hele middag.
Ik help Corrie de hele dag. Eerst met de afwas.
Daarna met thee inschenken.
En later in de middag ook nog met de koffie.
Maar daarna is het feest toch echt bijna voorbij.
“Wat denken jullie er van?” zegt tante Tine. Ze kijkt op haar horloge.
"Het is tegen halfvijf. Eer we weer eens thuis
zijn is het zeker halfzes".
“Ja en de mannen wachten op eten” zegt een andere tante.
Jammer , dat zij nu al weer naar huis gaan.
De dag is veel te vlug voorbij.
Ik loop met ze mee tot aan het brugje.
Tippie, het hondje, loopt achter mij aan.
Daar gaan ze weer. Met zijn vijven. De brug over naar de dijk.
Tante Lidia zet haar paraplu weer op.
“We moeten het maar een beetje rustig aan doen zegt ze, want het is erg warm”
Ik roep nog een keer heel hard: "daag, daag"!
Ze lachen en zwaaien naar mij.
“Kom Tippie, we gaan weer naar binnen. Ze zijn weg"!
Tippie komt dicht naast mij lopen. En samen gaan we terug.
Pasen 1949.
Ik was in 1949 een kind van tien jaar.
Ons gezin woonde buiten het dorp, aan een dijk. Vanuit de woonkamer keken we uit over h…
Pasen 1949.
Ik was in 1949 een kind van tien jaar.
Ons gezin woonde buiten het dorp, aan een dijk.
Vanuit de woonkamer keken we uit over het uitgestrekte polderlandschap.
Naast ons huis was een wei waarin ’s zomers de koeien vredig graasden, en ik
van de madeliefjes en boterbloemen, kransjes vlocht.
De andere huizen die aan de dijk stonden, waren evenals ons huis, vrijstaand.
Iets verderop was een winkeltje. Het kleinste kruidenierswinkeltje dat ik ooit zag.
Met drie mensen was de winkel meer dan vol.
Langs de muren waren wat planken aangebracht, waar de te verkopen artikelen stonden.
De meest voorkomende artikelen stonden zichtbaar uitgestald: koffie, suiker, rijst, bloem en tarwe. De stroop stond in een grote pot.
Met een lepel werd de stroop in een glas geschept, dat je zelf had meegebracht.
Ons gezin telde veel kinderen.
We kwamen allemaal wel eens aan de beurt om naar het winkeltje te rennen voor een boodschap.
Soms stond ik weifelend voor het winkeltje omdat ik al voor de derde keer kwam die dag.
Maar de oudere vrouw achter de toonbank werd nooit boos.
Misschien, denk ik nu, was zij wel blij met de klandizie van ons grote gezin!
Mijn moeder moest het grote gezin zonder mijn vader grootbrengen.
Mijn vader was al op jonge leeftijd overleden.
Er kwam weinig geld binnen. Boodschappen werden maar mondjesmaat gekocht.
Op het platteland was er gauw genoeg te eten.
Er werden dieren gehouden voor de slacht.
Op het land werden gewassen verbouwd voor eigen gebruik.
Wat verder nog gekocht moest worden aan levensmiddelen, was eigenlijk min of meer verspilling.
De christelijke feestdagen waren de hoogtepunten van het jaar!
Naast het veelvuldige kerkbezoek was er veel gezelligheid.
Vrienden en vriendinnen uit de kerk mochten meekomen.
Soms, met de feestdagen, zei moeder tegen één van ons: “weet je wat, haal maar
een potje pindakaas bij Vredeveld.
Het is morgen Paasfeest”.
En dat gebeurde ook vandaag.
Pindakaas!
Was er iets lekkerder dan pindakaas? Het water liep al uit mijn mond!
Even later scheurde mijn oudere zus, op de fiets, over de dijk naar kruidenier Vredeveld.
Zij sjeesde, voorbij het kleine winkeltje, naar de veel grotere kruidenier met het ruimere assortiment.
Op eerste Paasdag, na de middag kerkdienst, zaten we met zijn allen rond de tafel voor
de broodmaaltijd.
Het potje pindakaas stond, pontificaal, midden op de tafel en lachte mij toe.
Moeder pakte als eerste het potje, draaide het deksel eraf en rook aan de pindakaas
alsof het parfum was.
Ze pakte een vork en roerde de olie, die bovenop lag, er eerst doorheen.
Haar vork raakte de bodem.
Daarna zette ze het potje geopend op tafel.
Blij keek ze ons aan.
Was er groter feest denkbaar?
We voelden ons nooit arm.
Maar vandaag met pindakaas op tafel hoorden we zeker bij de rijken.
Toen moeder dankte voor de maaltijd was het pindakaaspotje een heel eind leeg.
Iedereen was verzadigd en had ervan gesmuld!
Wanneer ben je arm?
Goede vrijdag Moeder, ze hebben een Man gevangen,
moeder wat heeft die man gedaan, Dat ze Hem hebben opgehangen,
dat ze Hem spuwen en zo s…
Goede vrijdag
Moeder, ze hebben een Man gevangen,
moeder wat heeft die man gedaan,
Dat ze Hem hebben opgehangen,
dat ze Hem spuwen en zo slaan,
moeder wat heeft die Man gedaan?
Hij is een doorn in onze gedachten,
Hij is een teken, kind, aan de wand;
nu staan wij hier op Zijn dood te wachten,
verraden is Hij in Zijn eigen land
maar fluistert, gekruisigd: hier is Mijn hand.
Moeder waar gaat die Man nu slapen,
moeder Hij bloedt uit Zijn handen, Zijn mond;
gaat Hij nu dood, als Hij zo blijft hangen,
u zei toch: Hij kwam voor kleinen en bangen
met een Koninkrijk, voor wie het verstond.
Hij is de Koning van alle gedachten,
Hij is een teken, kind, aan de wand;
alle dagen vol leed, alle nachten
fluistert Hij eenzaam: hier is Mijn hand.
Moeder, wat heeft die Man dan gedaan?
Lucas Enzler
Goede Vrijdag 1956
Overgenomen uit de Havenloods
Over twee dagen is het Koninginnedag 1947. En, feest op ons dorp.
Op school draait nu ook alles om Koninginnedag.
“ We gaan vanochtend eer…
Over twee dagen is het Koninginnedag 1947.
En, feest op ons dorp.
Op school draait nu ook alles om Koninginnedag.
“ We gaan vanochtend eerst nog eens het Wilhelmus oefenen” zegt de meester.
Dat gaan we in ieder geval zingen” .
Ik kijk de klas rond . Iedereen kent het al lang.
“Het tweede couplet zit er nog niet goed genoeg in”.
We moeten het echt helemaal mee kunnen zingen.
Want, we zingen het voor de koningin”!
De meester kijkt heel beslist. En daar gaan we weer!
Het dreunt al weer door de klas: “ Mijn schild en de betrouwen”.
De zware stem van de meester hoor je boven alles uit.
Ook het eerste couplet zeggen we daarna, voor de zekerheid, nog een keer op.
De meester kruipt achter zijn kleine orgeltje.
En dan zingen we uit volle borst de twee coupletten van het Wilhelmus.
“ Nou het kan er mee door. Het zit er aardig in”, aldus de meester.
Hij kijkt tevreden de klas rond.
Die middag loop ik om half vier met een vriendinnetje naar huis.
“ Wat trek jij woensdag voor kleren aan?
Ik ga verkleed als sneeuwwitje. En jij?” vraagt zij.
“Mijn moeder wil niet dat ik mij verkleed.
Ik mag mijn zondagse kleren aan.
“Maar ik ga het nog een keer vragen aan mijn moeder”, zeg ik.
Op Koninginnedag ben ik heel vroeg wakker.
Ik trek het gordijn open.
Het zonnetje schijnt vrolijk op mijn neus.
Mijn kleren hangen klaar op de stoel.
Geen verkleedkleren. Dat niet.
Ik heb nog wel gezeurd.
Maar het is allemaal gekkigheid, zegt moeder.
Ik trek mijn zondagse kleren aan.
Mijn mooie zwarte lakschoenen mag ik ook aan.
Ik kijk trots naar mijn schoenen.
En mijn witte kniekousen vind ik er mooi bij.
Maar ik had verkleedkleren toch veel en veel leuker gevonden!
Als ik bij school ben zijn de meeste kinderen er al.
Allemaal verkleed.
Ik voel aan de jurk van mijn vriendinnetje.
Ze heeft een prachtige jurk aan.
Ze lijkt echt wel sneeuwwitje.
De stof is heel dun.
“ Ik heb het koud” zegt ze. Ze rilt!
Daar gaat de schoolbel.
We gaan eerst nog even naar binnen om de dag te beginnen.
In het lokaal zie ik pas goed hoe mooi iedereen is.
Vooral veel jurken van crêpe papier hebben de meisjes aan.
In allerlei kleuren. En, heel veel oranje.
Ik heb een oranje sjerp om mijn middel.
Weer buiten, maken we een lange rei.
Met alle klassen van onze school gaan we naar het dorpsplein.
Daar is het iedere Koninginnedag groot feest.
Er staan veel kinderen van andere scholen op ons te wachten.
De bovenmeester wenkt ons: “ komen jullie maar hier staan”!
Iedereen dringt voor het beste plaatsje.
Ik sta achter lange Jaap. Hij is heel lang.
Ze noemen mij muisje. Want ik ben erg klein.
Maar er is een oplossing: ik sta aan de buitenkant.
Zo kan ik er mooi langs kijken.
Als de twee andere scholen er ook zijn, kan het zingen beginnen.
Een meester van een andere school gaat op de verhoging staan.
Wij gaan eerst het Wilhelmus zingen, zegt hij.
Het wordt een groot kinderkoor.
Ik kijk rond.
Alle kinderen zingen mee.
Het schalt over het dorpsplein.
Het kleine kerkje aan de overkant vangt het geluid op.
Dat kerkje staat op een terp. Het kerkje is oud en heel mooi!
Het plein, en het kleine kerkje, lijken mee te zingen.
De vlaggen: rood wit en blauw wapperen blij in de zon.
De oranje wimpels waaieren wijd uit.
En wij? Wij laten horen wat we allemaal geleerd hebben.
En we zingen en we zingen:“ Waar de blanke top der duinen.
In naam van Oranje. In een blauw geruite kiel.
Wij willen Holland houwen. O dierbaar plekje grond.
't Is plicht dat ied’re jongen, en nog andere liedjes.
Allemaal liedjes die nu bijna niet meer worden gezongen.
Liederen over het vaderland!
Maar daarna is het feest nog lang niet afgelopen.
Het feest gaat de hele ochtend nog door.
Het plein is helemaal ingericht voor de kinderspelen.
We spelen in kringen. Gaan busje lopen. Zaklopen.
Er staan ook nog hoge stelten om op te lopen.
Ik wil het ook proberen. Maar het is heel griezelig.
Ik blijf kijken naar die hoge houten benen onder mij.
Ik stap er maar gauw af. Dat voelt toch veiliger!
Het is een en al vrolijkheid op het plein.
Het bakkerijtje op het dorpsplein is vandaag ook open.
Speciaal voor Koninginnedag.
De meeste kinderen hebben een paar centen, of een dubbeltje, meegekregen.
Op Koninginnedag is alles anders.
We mogen zelfs iets lekkers kopen vandaag.
Om half twaalf is het tenslotte afgelopen.
Het plein raakt leger.
Mijn vriendinnetje en ik gaan ook naar huis.
Het is heel eind lopen naar ons huis.
Maar vandaag is dat niet erg.
Vandaag, ziet alles er feestelijk uit!
De vlaggen wapperen en de wimpels waaieren op de wind!
De muggendans
Waren die zomers vroeger, toen ik kind was, nu echt zo warm?
Of herinner ik mij vooral die snikhete dagen?
Het land achter …
De muggendans
Waren die zomers vroeger, toen ik kind was, nu echt zo warm?
Of herinner ik mij vooral die snikhete dagen?
Het land achter ons huis vertoonde, als de hitte lang duurde dan diepe scheuren.
Sproei-installaties kwamen pas later, het land snakte naar water.
Soms werd met een tuinslang lokaal wat water toegevoerd.
Vandaag is het ook weer zo’n warme dag geweest.
s 'Avonds als ik naar bed moet is het broeierig warm op de grote zolder.
Vooral nu de zon al enkele dagen ongenadig het pannendak heeft beschenen.
Het enige schuifraam dat de zolder telt is hermetisch dicht.
Gisteren stond er nog een hor in maar de muggen kropen door de gaatjes.
Zij hielden ons wakker met hun irriterend gezoem.
Daar bleef het niet bij.
Bloeddorstig landden zij op onze armen om hun honger te stillen.
Daarom blijft, op bevel van moeder, deze avond het raam naar beneden.
Al is het ook om te stikken want aan een bevel van haar valt nu eenmaal niet te tornen.
Het is tien uur en ik ben nog wakker.
De anderen lijken te slapen.
Ik luister naar de geluiden om mij heen.
Wat een gepuf!
Nog even wacht ik en luister goed.
Ja, ze slapen nu echt allemaal.
Ik stap voorzichtig uit bed.
Onhoorbaar sluip ik naar het raam.
Gelukkig is het nog licht genoeg
en bots ik nergens tegenaan.
Ook al weet ik inmiddels iedere stoel en alle andere barrières te staan, het blijft een hachelijke onderneming.
Onder de houten zoldervloer is de huiskamer.
Ieder geluid van boven is daar hoorbaar en klinkt door.
Ik nestel mij op een stoel voor het raam.
Dit is mijn plekje als iedereen slaapt.
Vanuit het raam kan ik de landerijen zien.
De nachtvogels die nu tevoorschijn komen, vliegen en fladderen rond.
Kijk, er zit een mug op het raam.
Nu kan ik hem eens goed van heel dichtbij bekijken.
Het fragiel dunne lijfje, de hoge pootjes.
De ragfijne vleugeltjes die een beetje trillen.
Maar waar zijn de oogjes?
Ze zijn klein en heel moeilijk te vinden.
Ik wil zo graag zijn oogjes zien en dat hij mij aankijkt.
Buiten wordt het nu donkerder en ook op zolder.
Er komen steeds meer muggen.
Ze zoeken elkaar op, blijven dicht bij elkaar.
Gaandeweg worden het er meer en meer. Het groeit uit tot een zwerm.
Ze komen naar het raam en alsof zij voor mij komen, tonen zij mij in het schemerlicht hun dans.
Ik zie hoe zij als zwerm één beweging maken.
Soms ineens, als op afspraak, zwenkt de hele zwerm naar links.
En hoep weer naar rechts.
Hoe kan het? Hoe weten zij dat?
Wie geeft hen een bevel daarvoor?
Mijn oog probeert een mug vast te houden en te volgen.
Maar ik verlies al snel de controle en ook hij verdwijnt in de dans.
Het is donker geworden. Ik zie de sterren en daar is ook de maan.
Ik wil wachten tot “De grote beer” er is.
Een oom heeft mij die vorige week aangewezen.
Hij gaat mij nog veel meer vertellen over de sterren heeft hij beloofd.
De grote beer heeft zeven sterren in de vorm van een steelpannetje, weet ik nu.
Ik luister en hoor beneden stemmen. Ik zit hier heerlijk.
Niemand die mij ziet of hoort.
Er komt toch niet iemand naar boven?
Dan moet ik wegwezen.
Ik kruip in mijn nachtpon en trek hem over mijn knieën.
Met mijn handen tegen de ruit aan kijk ik door een tunneltje naar buiten.
O, daar is hij “De grote beer”. Nu heb ik hem zelf ontdekt!
Zouden sterren echt stippen zijn van engelenvoeten zoals een vriendinnetje vertelde?
Waar komen ze ineens vandaan?
Er verschijnen er steeds meer. De lucht raakt er helemaal vol van.
Het wordt ineens weer lichter op de zolder.
Er valt een licht streep van de maan op de vloer.
Opeens hoor ik het kreunen van de trapdeur die open gaat.
Als een haas vlieg ik naar bed. Keurig op tijd lig ik erin.
Moeder komt langs om te kijken of we slapen.
Mijn hand ligt onder mijn gezicht. Mijn ogen zijn dicht.
Ik adem rustig in en uit.
Niet moeilijk na zoveel oefening.
En terwijl moeder mij instopt danst de muggenzwerm vrolijk op mijn netvlies rond.