|
 |
|
 |
| Knipoog naar het leven |
|
 |
| 14-10-2026 |
De Smid |
|
De smid, dat zien wij nu niet meer
Als kind wisten wij al vroeg wat een smid was. Een smidse in de buurt was voor ons een ideale pleisterplaats. Daar konden wij met grote ogen staan kijken hoe Michel, onze buurman, uit een stuk ijzer de meest uiteenlopende voorwerpen tevoorschijn toverde. Voor ons leek het wel toverij, al kwam er bij Michel vooral veel vuur, zweet en stevig hameren aan te pas.
Dat de smid vroeger een veelvoorkomend beroep was, weten velen niet. Anderen zijn het misschien gewoon vergeten. Het beroep bestaat nog, maar heel wat werk dat vroeger met de hand werd gedaan, is intussen overgenomen door industriële machines.
Michel was fier op zijn beroep. Dat begrepen wij als kinderen niet helemaal. Een smid was voor ons iemand die met een hamer op een stuk gloeiend ijzer sloeg en daarbij een indrukwekkende hoeveelheid vonken produceerde. Pas veel later beseften wij dat smid zijn veel meer was dan wat ijzer warm maken en er vervolgens een paar flinke meppen op geven.
Wanneer wij in zijn zwartgerookte smidse stonden, zagen wij overal metalen staven in alle maten en gewichten. Ze lagen netjes, elk in hun eigen vakje, alsof ze op hun beurt stonden te wachten om door Michel tot iets nuttigs of moois te worden omgetoverd. En dan waren er die rondspattende gensters van het gloeiende ijzer! Voor ons was dat minstens even boeiend als een vuurwerk op de kermis, met dit verschil dat wij er gratis naar mochten kijken.
Onze bewondering voor Michel groeide met de jaren. Misschien speelde ook mee dat wij in sprookjes en legenden smeden hadden leren kennen die niet bepaald met hun gestalte uitpakten. Soms waren het kleine dwergen die met wonderlijke vaardigheid metaal bewerkten, soms breedgeschouderde reuzen met een hamer waarvoor zelfs Goliath een stapje opzij zou hebben gezet.
En daar stond dan onze Michel: eerder klein van gestalte en helemaal geen reus. Toch wist hij met zijn hamer dingen te doen waar wij met onze kinderhanden niet eens van konden dromen. Voor ons was hij een levende sprookjesfiguur.
Zijn werkdag begon met het aanblazen van het vuur. Daarna werd een stuk ijzer verhit tot het roodgloeiend was en zich gewillig liet bewerken. Op het aambeeld kreeg het vervolgens, onder de deskundige slagen van zijn hamer, de gewenste vorm.
Wij stonden erbij en keken ernaar. Althans, dat was de bedoeling. Want kijken alleen was voor nieuwsgierige kinderen blijkbaar niet voldoende.
‘Michel, wat doe je nu?’
‘En Michel, waarom doe je dat?’
‘En wat wordt dat eigenlijk?’
Michel probeerde geduldig te blijven, maar ook zijn geduld had grenzen.
‘Ik ga dat nu allemaal niet uitleggen. Jullie verstaan dat toch nog niet. Als je wat ouder wordt, zal ik het wel eens vertellen.’
Vervolgens somde hij een reeks geheimzinnige bewerkingen op: ijzer splijten, zagen, lassen, rekken, stuiken, buigen, wellen, ponsen en in vorm gieten.
Onze mond viel open. Niet alleen van verbazing, maar ook omdat wij van die hele uitleg nauwelijks iets begrepen. Michel had zijn rust terug en smeedde rustig verder.
Maar daarmee was de zaak niet afgelopen. Als het werkstuk nog niet helemaal naar zijn zin was — Michel was bijzonder precies — moest het opnieuw in het vuur. Het ijzer moest immers heet genoeg blijven om het verder te kunnen bewerken. Pas wanneer Michel vond dat het af was, mocht het afkoelen.
Soms dompelde hij het gloeiende stuk in koud water. Dat was voor ons natuurlijk opnieuw aanleiding om vragen te stellen.
‘Michel, waarom moet dat stuk in het water en dat andere niet?’
‘Dat is om te harden’, antwoordde hij.
Wij waren nog niet overtuigd.
‘En wat is harden dan?’
Michel legde uit dat het ijzer bij een verkeerde behandeling zijn stevigheid kon verliezen of zelfs kon scheuren of breken. Het kwam erop aan het op de juiste manier te verhitten en af te koelen.
Wij knikten alsof we het begrepen hadden. In werkelijkheid waren wij geen stap verder. Uiteindelijk dropen wij af, tot grote opluchting van Michel, die eindelijk weer ongestoord aan zijn werk kon.
Hij ging verder met het verfraaien van zijn werkstuk door het te graveren en te polijsten. En toch bleef er in die smidse iets geheimzinnigs hangen. Vuur, rook, vonken en een man die met zijn hamer het ijzer naar zijn hand zette: het had iets magisch.
Later leerden wij op school dat de smeedkunst al bij de Germanen en de Kelten hoog aangeschreven stond. Zij maakten niet alleen gebruiksvoorwerpen, maar ook prachtig versierde wapens en andere kunstwerken. Onze Michel stond dus eigenlijk in een eeuwenoude traditie. Hij droeg echter geen berenvel en zwaaide ook niet met een knots, zoals sommige oude smeden uit zeisels en vertellingen.
Dat de smid van oudsher een onmisbare schakel was in het dagelijkse leven en de economie, leerden wij eveneens op school. Voor de boeren maakte hij ploegen, schoppen, harken en schoffels. Andere ambachtslieden, zoals kuipers, schoenmakers en timmerlieden, konden evenmin zonder het gereedschap dat de smid voor hen vervaardigde.
En dan was er natuurlijk het leger. In de middeleeuwen maakte de smid zwaarden, strijdbijlen, speren en harnassen. Soms werkte hij zelfs mee aan de vervaardiging van katapulten, belegeringstorens en stormrammen.
Een smid was dus niet zomaar iemand die met een hamer op ijzer sloeg. Hij was ook een soort ingenieur, die oplossingen bedacht voor de meest uiteenlopende problemen. Dat hebben wij Michel zelf zien bewijzen toen hij samen met de gebroeders Denecker een kraan maakte. Voor ons was dat opnieuw een staaltje van zijn kunnen.
Michel was bovendien hoefsmid. Ook dat konden wij meer dan eens bewonderen.
Een paard beslaan was voor ons een gebeurtenis waarvoor wij graag een plaatsje op de eerste rij innamen. Al moesten wij soms genoegen nemen met een plaatsje wat verder achteruit. Want een paard is nu eenmaal geen speelgoed en een hoef geen plaats om met kinderhanden aan te zitten.
Eerst moest het paard veilig in een open box worden vastgebonden. Dat verliep niet altijd zonder spektakel. Sommige paarden waren blijkbaar minder opgezet met het vooruitzicht van een bezoek aan de hoefsmid en lieten dat duidelijk merken. Als ze steigeren, begint zo'n box plots een stuk kleiner te lijken.
Michel waarschuwde ons dan ook dat we niet te dicht mochten komen.
‘Tot daar en niet verder!’
Die woorden waren duidelijk genoeg. Als Michel zoiets zei, wisten wij dat hij het geen tweede keer zou zeggen. En als wij toch niet luisterden, konden wij thuis rekenen op een navolgend bezoekje van Michel om onze ongehoorzaamheid eens haarfijn uit de doeken te doen.
Dat vooruitzicht werkte doorgaans beter dan een heel opvoedkundig betoog.
Eens het paard veilig stond, kon het echte werk beginnen. De losse hoorn van de hoef werd verwijderd en de hoef werd bijgewerkt. Daarna paste Michel het hoefijzer aan de vorm van de hoef aan.
Soms moest het ijzer nog gloeiend heet worden gemaakt om het precies passend te krijgen. Dat gaf een indrukwekkend gesis en een rookwolkje dat ons telkens weer deed opkijken. Het paard vond die behandeling niet altijd even prettig en kon dan plotseling onrustig worden.
Wij hoopten stiekem wel eens op wat meer spektakel. Wanneer Michel met zijn gereedschap de overtollige lengte van de hoef wegnam, hielden wij het paard nauwlettend in de gaten. Zou het deze keer eens flink tekeergaan?
Maar nee hoor. De meeste paarden bleven rustig staan, alsof ze ons wilden duidelijk maken dat wij ons niet zo druk moesten maken. Voor ons was dat een kleine teleurstelling, maar voor Michel ongetwijfeld een hele opluchting.
Net zoals de kerk een herkenningspunt was in het dorp, was ook de smidse een vertrouwde plek. Je hoorde het ritmische slaan van de hamer op het aambeeld en zag soms de vonken uit het vuur springen. Je hoefde niet eens binnen te gaan om te weten dat Michel aan het werk was.
De smid werd vroeger niet alleen bewonderd om zijn vakmanschap, maar in sommige culturen werd hij soms met een zekere argwaan bekeken. Wie zo gemakkelijk met vuur en gloeiend metaal kon omgaan, moest wel over bijzondere krachten beschikken, dacht men. In verhalen en legenden kreeg de smid dan ook geregeld iets geheimzinnigs.
Wij hadden daar als kinderen niet zoveel moeite mee. Voor ons was Michel gewoon Michel: onze buurman, die van een stuk ijzer iets bruikbaars of moois kon maken en die onze vragen soms met meer geduld beantwoordde dan wij eigenlijk verdienden.
Vandaag leeft het oude ambacht nog voort bij hoefsmeden, restauratiesmeden en kunstenaars die met smeedijzer werken. Maar de smid zoals wij hem uit onze jeugd kenden, met zijn roetige smidse, zijn blaasbalg, zijn aambeeld en zijn hamer, is stilaan uit het dorpsbeeld verdwenen.
En als wij nu terugdenken aan Michel, zien wij hem nog altijd staan bij zijn vuur, met de hamer in de hand en de vonken om zich heen.
Wij begrepen toen misschien niet veel van wat hij deed. Maar één ding hebben wij wel geleerd: achter dat eenvoudige woord ‘smid’ zat een wereld van kennis, geduld en vakmanschap verborgen.
De smid, dat zien wij nu niet meer.
Sooi Uytterbroecken
|
|
|
|
 |
Reacties op bericht (0)
|
 |
|
|
|
 |
|
 |
|
 |