Neen, ik ben geen verlichte geest. Ik zag het magische licht, het noorderlicht. Als je daar de gelegenheid toe krijgt, neem dit mee. Niet nadenken maar doen. Het noorderlicht, is een natuurfenomeen dat je moet gezien hebben. De Aurora Borealis of Aurora Polaris, is een kleurrijk lichtverschijnsel aan de nachtelijke hemel nabij de Noordpool, waarbij flarden of sluiers van licht hoog zwevend in de atmosfeer een onvergetelijk lichtspel opleveren. Het licht zweeft op hoogtes van ongeveer 100 tot 1000 kilometer boven het aardoppervlak en kan wazig uitgespreid zijn, of scherp afgelijnd. Hangt af van de hevigheid en de intense sterkte van het verschijnsel. Ik zag het in Noorwegen in Kirkenes. Spectaculaire kleuren in een wiegend en zwevend kleurenspectrum.
Het was een van die avonden waarop je eigenlijk echt niets meer verwacht, een avond om te vergeten. Ik lag languit in een ligstoel naast mijn vrouw beiden de jas dichtgetrokken tot onder onze kin, op het terras van een houten vakantiewoning in Hamningberg Noorwegen. De stilte kan je snijden. Geen geraas van auto’s, geen stemmen, geen hond die blafte, ook geen kat die miauwde. Alleen af en toe het geroezemoes van de wind door de bomen. Boven ons stond de hemel als een eindeloos donkerblauwe catacombe. “Kijk, de eerste sterren beginnen fonkelen” zei mijn vrouw. En één na één, alsof iemand ze voorzichtig had aangestoken vervulden zij in een minimum van tijd de gehele sterrenhemel. Ik keek omhoog zonder een bepaalde reden. Gewoon omdat er in Noorwegen nu eenmaal zoveel hemel boven je hoofd hangt. Toen zag ik het. Eerst was het nauwelijks meer dan een lichte waas. Een bleke, groenachtige schijn aan de horizon. Zo ijl dat ik even dacht dat mijn ogen mij bedrogen. Ik bleef kijken. Het licht kwam dichterbij. Niet zoals een wolk die voorbijdrijft, maar als iets dat van binnenuit leek op te komen. Een zachte groene gloed die zich langzaam uitspreidde over gans het firmament. Eerst voorzichtig, bijna verlegen. Daarna werd het lichter en scherper, met tinten die moeilijk te benoemen waren. Groen was het, zeker. Maar welk groen? Soms het frisse groen van een weide in de lente. Dan weer het diepe groen van dennenbomen in de schemering. Aan de randen verscheen een bijna zilveren gloed, en hier en daar leek een sprankje geel door het licht heen te spelen. Boven dat groen bleef de hemel donkerblauw, bijna zwart, waardoor het licht nog helderder leek. En plots begon het te bewegen. Lange lichtbakens schoven langzaam door de hemelsfeer heen. Ze plooiden zich als reusachtige zijden gordijnen, draaiden rond en trokken samen, werden breder en breder om dan weer op te lossen in het duister. Een helgroene boog verscheen hoog boven de horizon en leek zich van de ene kant van de hemel naar de andere uit te strekken. Wij bleven alle twee roerloos liggen. Je kon onze adem horen. Wij durfden bijna niet te bewegen, als of de minste beweging van een van ons beiden het wonder zou kunnen verstoren. Het licht veranderde van minuut tot minuut. Het ene moment was het als een zachte fluwelen sluier, iets doorzichtig. Het volgende moment werd het hevig en leek het alsof de hemel in beweging kwam. Opeens schoten groene stralen omhoog, krinkelden en kronkelden door elkaar om weer te verdwijnen in het donker. En dan, heel even maar, verscheen er een floers van paars. Ik twijfelde een moment of het er werkelijk was, zo ongelooflijk wonderbaar. Ik kneep mijn ogen even dicht en keek opnieuw. Ja. Paars. Een heel fijn violet randje, nauwelijks zichtbaar, maar genoeg om het groen nog mooier te maken. Alsof de hemel zelf met zijn kleurenpalet aan het experimenteren was. Ik lag daar in mijn ligstoel en voelde mij plots een heel klein mens. Want wat kun je tegenover zoiets anders doen dan kijken? Je kunt zelfs geen foto maken die dit fenomeen werkelijk weergeeft zoals je het ziet. Je kunt erover vertellen, maar degene die tegenover je zit, zal toch nooit helemaal begrijpen wat je daar, onder die Noorse hemel, hebt gevoeld, gezien en ervaren. Het noorderlicht is geen licht dat je alleen maar ziet. Je ondergaat het. Het maakt je stil. En terwijl de groene sluiers langzaam verder dansten boven de donkere Noorse bergen, dacht ik: misschien is dit wel de mooiste voorstelling die de natuur ooit heeft bedacht. Zonder muziek. Zonder applaus. Zonder toegangskaartje. Alleen een ligstoel, een donkere hemel en twee mensen die even niet anders kunnen dan verwonderd omhoogkijken. En ergens daarboven danste het licht verder, het was alsof zelfs de hemel glimlachte.
Sooi Uytterbroecken
top-integration>
Rimpels
Er zijn mensen die ze met alle mogelijke middelen proberen te verbergen. Ze smeren, strijken, liften en spuiten erop los. Alsof een rimpel een vijand is die zo snel mogelijk uitgeschakeld moet worden. Alsof ouder worden een foutje van de natuur is dat dringend moet worden gecorrigeerd. Ik kijk daar anders naar. Rimpels zijn als ravijnen van het leven. Wanneer ik in de spiegel kijk en de lijnen in mijn gezicht zie, dan denk ik niet in de eerste plaats aan aftakeling of oud worden. Ik zie alleen ravijnen. Kleine en grote ravijnen, in grote en kleine groeven uitgesleten door de tijd. Ravijnen van innerlijke, wezenlijke schoonheid. Ik beweer zelfs weelderige schoonheid. Een ravijn valt niet zomaar uit de lucht. Daarvoor zijn jaren nodig. Regen, wind, stormen en soms verwoestende orkanen hebben ze door het vrij spel van de natuur zo gevormd. Zo vrij dat het water telkens opnieuw zijn weg zoekt, de harde rotsen uitslijpt, de kleine stukjes meeneemt en uiteindelijk een indrukwekkend landschap achter laat. Wees gerust, niet alles op enkele jaren. De natuur heeft er haar tijd voor genomen, vele jaren. Geen twee ravijnen zijn helemaal gelijk. Elk heeft zijn eigen vorm, zijn eigen diepte, zijn eigen verhaal, zijn eigen uitstraling. Zo is het ook met een menselijk gezicht. Geen twee gezichten dragen dezelfde rimpels. Bij de ene liggen ze als fijne lijntjes rond de ogen, als stille getuigen van vele lachbuien. Bij een andere trekken ze diep over het voorhoofd, als sporen van zorgen, twijfels en slapeloze nachten. Rond de mond vertellen ze misschien over liefde, verdriet, koppigheid of verwondering. Elke rimpel heeft haar eigen geschiedenis. Sommige zijn ontstaan tijdens intens gelukkige momenten. Wie veel gelachen heeft, krijgt daar vroeg of laat de rekening voor gepresenteerd, al is het een rekening die ik met alle plezier zou betalen. Lachrimpels zijn immers kleine herinneringen aan ogenblikken waarop het leven even licht en subtiel voorbij ging. Herinneringen aan een goed vertelde grap, aan een klein kind dat iets onschuldigs zei en de hele familie deed schateren. Aan avonden waarop men met vrienden zoveel plezier beleefde dat men vergat hoe laat het was. Andere rimpels hebben ernstiger oorzaken. Ze werden gevormd in perioden waarin het leven niet zacht was. Het verlies van iemand die men liefhad. Dagen van onzekerheid. Tegenslagen waarvan men dacht: nu weet ik niet meer hoe het verder moet. Ook die lijnen horen bij ons. Zij zijn de ravijnen die ontstonden nadat de storm was gaan liggen. Een ravijn draagt de sporen van alles wat het heeft doorstaan. Juist daardoor krijgt het karakter. Misschien is dat ook de grootste schoonheid van rimpels: ze maken een gezicht uniek. Een glad gezicht kan mooi zijn, zonder twijfel. Maar een gezicht waarop de tijd haar handtekening heeft gezet, is totaal iets anders. Het bezit echtheid. Het is echt. Een rimpel liegt niet. Hij vertelt dat men geleefd heeft. Hij is het onomstootbaar bewijs dat men niet altijd veilig binnen bij de pakken is gebleven terwijl buiten de storm woedde. Dat men liefhad, verloor en opnieuw begon. Dat men zich zorgen maakte om kinderen en kleinkinderen. Dat men soms huilde zonder dat iemand het zag. Dat men lachte tot de tranen over de wangen liepen. Wij zouden rimpels dus helemaal niet moeten beschouwen als barsten die moeten worden hersteld, maar als letters, uit het boek van een leven dat zijn eigen verhaal heeft geschreven. Samen vormen zij een boek dat niet op papier werd geschreven, maar op een gezicht. En wat is er eigenlijk mooier en interessanter dan een boek waarin echt geleefd wordt? De jeugd heeft haar eigen schoonheid. Dat spreekt vanzelf. Een jong gezicht is als een ongerept landschap, nog vol mogelijkheden en verwachtingen. Maar ouderdom heeft een andere schoonheid. Een landschap dat jarenlang zon en regen heeft gekend, wordt niet minder mooi omdat het veranderd is. Soms wordt het juist indrukwekkender. Kijk naar de ravijnen in de natuur. Hun ruwheid stoort ons niet. Integendeel. Wij bewonderen hun diepte, hun grillige vormen, hun kleuren en de sporen die de tijd erin heeft achtergelaten. Niemand zou op het idee komen om met een reusachtige strijkplank een ravijn weer glad te maken. We zouden het een aanslag op de natuur noemen. Maar bij een menselijk gezicht willen we plotseling dat alles gladgestreken wordt. Vreemd eigenlijk. Rimpels weerspiegelen de schoonheid van het werkelijke leven. Zij weerstaan trots de tand der tijd. Zij dragen de tegenslagen die wij overwonnen hebben en bewaren tegelijk de herinnering aan de mooie dagen die wij mochten beleven. Misschien moeten we af en toe wat milder zijn wanneer we in de spiegel kijken. Niet meteen zoeken naar wat verdwenen is, maar kijken naar wat gebleven is. Niet treuren om het gladde gezicht van vroeger, maar waarderen wat de jaren ons hebben geschonken: ervaring, wijsheid, herinneringen en – hopelijk – een beetje mildheid. Want wie negentig jaar lang door het leven wandelt, verzamelt nu eenmaal een landschap op zijn gezicht. Met heuvels en dalen. Met kleine beekjes van lachlijnen en diepe ravijnen van verdriet. Met sporen van stormen en orkanen, maar ook met de warmte van duizenden zonnige dagen. En misschien is dat wel de mooiste gedachte: een rimpel is geen teken dat de schoonheid verdwijnt. Integendeel. Soms begint de echte schoonheid pas zichtbaar te worden wanneer de tijd haar werk heeft gedaan. Rimpels zijn ravijnen van innerlijke schoonheid. Ze vertellen wie wij waren. Ze tonen wie wij geworden zijn. En als we goed kijken, horen we in elke lijn nog een beetje het geruis van het leven.
Sooi Uytterbroecken