Twee thuisloze zwervers. ( verhaal)
Twee thuisloze zwervers.
Het was een gure voorjaarsdag toen een sjofel geklede man van rond de vijftig jaar plaatsnam op en bankje in het park, juist tegenover de grote vijver, waar eenden en ganzen in het water stukjes brood op aten die door een klein meisje in het water werden gegooid. Toen het kind aan de hand van de moeder na enkele minuten wegliep verscheen er opeens een tweede man bij het bankje.
‘Hee, kijk nou eens, daar hebben we, Japie… Dat is een hele tijd geleden, jongen. Waar ben jij zo lang geweest?’ vroeg de eerste zwerver die Joop bleek te heten terwijl hij wat aan de kant schoof om zijn vriend te laten plaats nemen.
‘Ach, overal en nergens.’
‘Maar wat zie ik nou; je bent zeik nat’
‘Ja, dat komt door dat klote bruggetje. Ik liep te dromen en ik had een houtenkop van gisterenavond. Ik heb het bruggetje gemist en ben toen naast het bruggetje in het water gelazerd.’
‘Ha ha ha, geen betere manier om weer nuchter te worden alleen: je stinkt wel als een varken…, man,’ zei Joop, de eerste zwerver lachend. ‘Ga een beetje van me weg zitten anders stink ik straks ook zo naar dat kolere water van die vijver.’
‘Ja, lach jij maar. Ik zit hier verdomme kou te lijden.’
‘Ja…, dat zal best. Wil je trouwens wat drinken of wat eten?’
‘Als je een slokkie hebt, nou graag dan, maar wel puur en zonder ijsblokkies. ’
‘Ha ha ha, trek die natte zooi toch gewoon uit man. Niemand die het ziet. Dan kunnen die kleren ook gelijk wat drogen.’
‘Jij lult makkelijk. Ik kan toch moeilijk hier in mijn blote reed gaan zitten, lijkt mij zo. Als die wouten straks komen pakken ze me misschien nog op voor naaktlopen.’
‘Ja, daar heb je wel een punt mee, met die opmerking bedoel ik. Je moet hier tegenwoordig verdomd goed uitkijken.’
Zwerver Joop keek eens om zich heen en zag tot zijn verwondering een paar grote stukken karton tussen de struiken liggen. Hij wees er zijn vriend op die vervolgens zijn kleding uitging trekken.
‘De oplossing van alle problemen ligt, zoals altijd, gewoon om de hoek niet waar.’
‘Ja, maar het is nu al vier uur. Ik krijg nu die kleren niet meer droog in dat schrale rot zonnetje.’
’Gewoon op het gras leggen dan drogen ze vanzelf.’
‘Verdomme wat is het koud. M’n reed kleurt al blauw, dat voel ik. Zal toch maar zo’n stuk karton om me heen slaan. Misschien helpt het iets tegen die rot kou.’
‘Ja, doe dat. Maar geef mij ook maar een klein stukkie karton dan kunnen we dat op de bank leggen, om op te zitten.
‘Slaap jij hier trouwens ook nog altijd; hier in het bos, bedoel ik?’
‘Nee zeg, ik kijk wel lekker uit. Stikt hier ˈs avonds, als het donker wordt, van de nichten. Van die engerds die in de bosjes lopen.’
‘Ja, dat is tegenwoordig inderdaad echt klote. Waar vind je nog nog een geschikt plekkie om te pitten in een bos. Ik vraag me trouwens af waar ik straks kan gaan liggen maffen met dat karton om me heen?’
‘Ja, je zegt het…, dat is wel effe een probleem .Trouwens die wouten rijden hier tegenwoordig ook veel rond. Op crossfietsen, wel te verstaan. Kunnen ze gemakkelijker die nichten controleren heb ik van de week gehoord.’ Ze jagen die gasten compleet met stijve pik het bos uit, de straat op, heb ik me laten vertellen.
‘Hoe controleren ze dat dan, in dat bos bedoel ik?’
‘Ha ha ha, volgens mij kijken ze alleen of zo’n nicht met z’n gulp open loopt en of er wat uithangt...
‘Ja, lul jij maar. Belazer je zuster maar mij niet. Jezus wat heb ik het koud. Vraag me af of het niet reeds rond het vriespunt is.’
‘Je zegt het… Trouwens er ligt daar tussen die kale struiken een oude pallet. We zouden natuurlijk ook een vuurtje kunnen maken. Dan kunnen je kleren ook wat sneller drogen.’
‘Ja…, verdomd goed idee zeg, alleen…, heb jij dan vuur?’
‘Ja hoor, jongen, een complete plastic verpakking met aanstekers. Samen met dat flesje jenever en een zak met broodjes gejat uit een supermarkt wagentje van zo’n bekakt oud wijf in die AH winkel efkes verderop.’
‘Dat heb je dan goed gedaan, jongen. Die rijke stinkers missen zo’n aansteker toch niet en wij zijn er gelukkig mee, niet waar?’
Vervolgens werd de pallet uit de struiken gehaald waarna Joop met een klein zakmesje er schilfers ging afsnijden om die, na enige minuten prutsen, samen met een stuk karton aan te steken. Ze trapten de pallet in kleine stukken die ze vervolgens op het brandende vuurtje legden.
‘Donders, dat voelt heel wat beter aan dan die koude rot wind, vind je ook niet, Japie. Kom, laten we er om heen gaan zitten, dan verwarmen we ons gelijk een beetje. Hier…, leg die natte zooi maar vlak bij het vuurtje, dan droogt het wat sneller.’
Terwijl ze een minuut of tien rond het hevig rokende vuurtje waren gezeten zagen ze in de verte twee agenten op zo’n soort van mountainbike aankomen. Het bleken een man en een vrouw te zijn. De agenten reden het gras op, zetten de fietsen tegen de bank, en liepen vervolgens op de twee zwervers toe.
‘Heren, u bent in overtreding,’ zei de mannelijke agent op gewichtige toon terwijl hij zijn opschrijfboekje met ballpoint tevoorschijn haalde. De vrouwelijk agent, een nogal stevig type met heel kort geknipt haar en een brede kont, had inmiddels al snel enkele foto’s met haar mobieltje gemaakt. De twee zwervers keken elkaar even aan maar zeiden niets.
‘Ik verzoek u dat vuur gelijk uit te maken, te doven zo gezegd. Het is ten strengste verboden om in het park vuur te maken, trouwens wat zijn jullie eigenlijk aan het doen? De twee zwervers zeiden niets en haalden de schouders op. ‘Is dit een vorm van exhibitionisme wat ik voor me zie, of zijn jullie met een vies spelletje bezig? ‘ glimlachte de agent wat meewarig. ‘Seks in het park is, zoals u beiden vast wel weet, ook verboden.’
‘Ach, zodemieter toch op man, ‘reageerde Japie terwijl hij het smerige karton wat steviger om zich heen trok. ‘Ik ben in het water gelazerd, vlak bij dat klote bruggetje, daar wat verderop. Mag ik mezelf misschien even wat opwarmen en mijn kleren drogen?!’ zei hij op nogal luide toon terwijl hij in zijn kartonnen uitdossing op de agent toeliep, die vervolgens verschrikt, een paar stappen achteruit deed.
‘Goed,’ zei de vrouwelijke agent om ook een duid in het zakje te doen. Als u niet van plan bent het vuur te doven dan doen wij dat en laten wij u naar het bureau afvoeren. Daar praten we dan wel verder.’ Vervolgens trapten beide wetsdienaars het kleine vuurtje uit en werd er een auto opgeroepen om de heren af te voeren. ‘Als u even uw armen uitsteekt dan leg ik u de handboeien om,’ zei de agente tegen Japie die daarop met een brede lach het karton liet vallen en zich vervolgens in zijn volle naaktheid aan haar presenteerde.
‘Nou, wat vind je er van, wijffie. Lekker lijf hè, en dat voor een vent van vijf en vijftig jaar oud. Zo vind je ze, denk ik, niet bij jou op bureau,’ zei Japie terwijl hij, voordat hij zijn armen naar achteren stak, eerst even over de billen van de agente streek. ‘Blijf verdomme met je gore poten van me af, lelijke viespeuk, of je krijgt eerst een mep met de wapenstok.’
‘Goh, wat een lekker heet wijf ben jij zeg, heb ik altijd naar gezocht. Een lekkere meid die een wapenstok gebruikt tijdens de seks.’ Het waren echter wel de laatste brutale woorden van de van kou rillende Japie die, vervolgens na een paar minuten wachten, samen met zijn maat achter in een politiebusje werd gestopt en naar een politiebureau in de stad werd afgevoerd. Daar werd hij onder begeleiding onder een douche gezet waarna hij een politieoverall kreeg aangereikt om aan te trekken.
‘U bent beiden gearresteerd voor respectievelijk: brandstichting in een park en het veroorzaken van overlast,’ zei de wachtcommandant tegen hen. En meneer hier; hij wees op Japie, wordt ook onzedelijk gedrag in het park ten laste gelegd. U wordt beiden ingesloten voor de nacht. De rechtercommissaris beslist morgen over u.’ Daarna werden beide zwervers naar een lekker verwarmde cel gebracht.
‘Jeetje…, Joop, wat hebben wij een mazzel. Het is hier net een hotel. Lekker warm en veel beter dan buiten onder een afdakje op straat slapen, ’zei Japie.
‘Kunt u me om halfzeven wekken, vroeg Joop beleefd, met een brede glimlach, aan de agent die hen in de cel stopte. ‘En morgen graag twee sneetjes bruinbrood met ham en kaas en het eitje niet te hard gekookt als het even kan. En…, o, ja: liever thee in plaats van koffie. ‘ De agent gaf echter geen krimp. De man kon blijkbaar de humor van de opmerking niet inzien. Hij verschoot helemaal van kleur toen Japie er aan toevoegde: ‘Je mag die lekkere blonde meid die mij vanmiddag in het park liep op te geilen best in onze cel brengen. Heeft dat wijffie eindelijk het genoegen een echte vent te krijgen in plaats van die watjes waarmee ze nu waarschijnlijk omgaat.’
Hierna viel de celdeur dicht en liep de agent die hen insloot hoofdschuddend weg, om vervolgens weer op zijn plek gezeten in een schaterende lach uit te barsten. ‘Je had eens moeten horen,’ zei hij tegen zijn aanwezige collega,’ wat die ene vent over onze Dolly durfde te zeggen. De politieman hikte inmiddels van het lachen. ’Maar goed dat hij niet wist dat onze Dolly een pot is. Ik wed dat je niet meer was bij gekomen van het lachen als jij die opmerkingen ook had gehoord.’
© Leonardo


