Salzburger Exulanten in de familie Text in progress Zonder dat Mina Auer het wist lag de oorsprong van haar familie ver weg in het Land van Salzburg. Het heeft haar nooit geboeid, ze vond het in de oorlog al lastig genoeg dat haar naam zo "Duits" klonk. Ze kwam in de familie doordat ze met Joost Joosse trouwde, de zoon van Evert Joosse, de broer van opoe Betje Klercq-Joosse. Evert heeft niet lang geleefd. Direct nadat hij uit de militaire dienst was ontslagen, stak bij hem een akelige ziekte de kop op dat nauwelijks te genezen was. Hij leed aan de tering, en nog wel aan de ergste vorm daarvan; "De Vliegende Tering." Binnen een paar weken was hij dood. Hij liet zijn vrouw Dina Lampers met één zoon achter.
Mina was een nazaat van de Salzburger Exulanten, een ander woord voor Salzburger Bannelingen, ruim 200 jaar geleden aangekomen in Zeeland. Het waren Lutherse geloofsvluchtelingen, die in 1732 uit het Oostenrijkse Prins-Aartsbisdom Salzburg verdreven werden. Het was de nieuw aangestelde prins-aartsbischop Leopold Antoon von Firmian die het zijn verheven taak vond het bisdom te zuiveren van afvalligen van de Heilige Moederkerk van Rome. Waarop hij de protestanten, meest aanhangers van de Augsburgse Confessie, voor de keus stelde terug te keren tot het ware rooms-katholieke geloof, of het land te verlaten. Op 31 oktober 1731 ondertekende hij een berucht emigratiebevel, met gevolg dat meer dan 20.000 protestantse inwoners Salzburg moesten verlaten.
 |
 |
Pieternella (Pietje) Tange
|
Joost Joosse
|
De ouders van Evert Joosse
De massale uittocht van vele gezinnen viel samen met kolonisatieplannen van koning Frederik Wilhelm I van Pruisen. Hij zocht vaklui en arbeiders die bereid waren in het dunbevolkte gebied van Oost-Pruisen, waaronder Klein-Litouwen, zich te vestigen. De koning stuurde zelfs commissarissen naar Beieren en Württemberg om vluchtelingen op te vangen en hen te begeleiden via Polen naar de Baltische Staten. Een ander deel van de vluchtingenstroom trok naar Hamburg, waar de overtocht werd genomen naar Georgia in Amerika. Vanuit Oostenrijk vertrokken andere lutheranen naar Wit Rusland en Bessarabia, een streek dat aan de Zwarte Zee gelegen is.
In de Zeven Verenigde Nederlanden kwam het bericht ook door welk leed in Salzburg voltrok. Het eerste initiatief om deze arme stakkers te hulp te schieten kwam uit Zeeland. De steden Middelburg, Veere en Vlissingen besloten 350 tot 400 vluchtingen op te nemen. Ze konden op Walcheren te werk worden gesteld in de landbouw, dacht men zo uit eigen belang. De Middelburgse lutherse kerkeraad stuurde dominee Johannes Nicolaus Treijtel en de diaken Johan Hendrik Röscher naar Duitsland, om de vluchtelingen, die al op weg waren naar Oost-Pruisen, te overtuigen zich op Walcheren te vestigen. De twee heren uit Middelburg hadden strikte voorwaarden meegekregen. De emigranten moesten in eigen onderhoud kunnen voorzien. Jongeren mochten alleen in gezinsverband worden meegenomen en ouderen boven de 45 jaar werden niet toegelaten. Het klinkt als hedendaags immigratiebeleid.
 |
 |
 |
Mina Auer
|
Familie Joosse
|
Evert Joosse
|
Als gevolg van deze strikte criteria lukte het slechts 59 Salzburgers aan te trekken. Op 7 oktober 1732, na maanden onderweg te zijn geweest, kwam de groep aan in Middelburg, waar ze hartelijk werden ontvangen in de oude lutherse kerk. De meesten werden vrijwel meteen opgenomen in het lidmatenregister. De groep Salzburgers vormde een kleine minderheid, ze werden snel opgenomen in de bevolking, soms werden hun namen vernederlandst. Na dertig jaar waren de cultuurverschillen tussen de nieuwkomers en Zeeuwen verdwenen.
Ook in het Vrije Staatse Sluis, het huidige West Zeeuws Vlaanderen, ontstond belangstelling voor het opnemen van emigranten uit Salzburg. Ook dat was niet zonder eigen belang. Door de slechte economische omstandigheden was de streek duizenden inwoners kwijtgeraakt. Men had dus dringend behoefte aan nieuwe inwoners, vooral was de nood aan landbouwarbeiders groot. In de zomer van 1732 liet het schepencollege een inventarisatie opstellen hoeveel Salzburgers geplaatst konden worden. De uitkomst was overweldigend; er was plaats voor 300 gezinnen.
 |
 |
 |
Leopold Antoon von Firmian
|
Vluchtroute Salzburger Exulanten (Bannelingen)
|
Exulant op de vlucht
|
De gezant Marinus Gallieris van de Staten Generaal, toegewezen aan de Rijksdag in Regensburg wist een overeenkomst te sluiten met bewoners van Dürnberg in het district Hallein. Dit waren voornamelijk mijnwerkers uit omliggende zoutmijnen, die allemaal over een eigen boerenbedrijfje beschikten. Nadat passen en vrije doortochten waren geregeld vertrokken 800 Salzburgers. Het werd een barre tocht over de Rijn. Schepen vroren vast, de reis moest meermalen worden onderbroken. Sommigen gaven het op en keerden terug. Veel ouderen en kinderen overleden aan ontberingen. Pas in februari 1733 arriveerden de doodvermoeide vluchtingen in Nijmegen. Een maand later op 9 maart 1733 verschenen de Salzburgers met achttien schepen voor de kust van Nieuwerhaven bij Breskens.
 |
 |
Armoedige behuizing in Aardenburg
|
Nakomelingen in West Zeeuws Vlaanderen
|
Na de verdeling van immigranten over dorpen en polders van het Vrije Sluis onstond al snel ontevredenheid onder de nieuwkomers, omdat velen werden ondergebracht in oude vervallen huizen, stallen en keten waar in de zomermaanden seizoenarbeiders uit Vlaanderen verbleven. Dit was niet in overeenstemming met de afspraken, want er was gratis onderhoud en huisvesting beloofd, en niet dat men in eigen onderhoud moest voorzien of op het land moest gaan werken. Toen in augustus de beruchte Zeeuwse malariakoorts uitbrak, waar meer dan 100 slachtoffers aan ten prooi vielen, hielden velen het voor gezien. Ze vertrokken naar elders of keerden terug.
De teruggekeerde Salzburgers ondergingen een gruwelijk lot, wanneer ze zich niet wilde bekeren tot het katholieke geloof. Opgesloten in kerkers met een "ketzengabel" om de hals werd hun standvastigheid gebroken. Tussen lutherse mannen werden gevechten georganisserd. De winnaar mocht zijn geloof behouden, maar moest wel het hoofd van zijn tegenstander afhouwen. Tot de winnaar ook verliezer werd en hetzelfde lot overkwam.
 |
 |
zg. Ketzengabel martelingen
|
Op de vlucht naar Bessarabia
|
Dat de Salzburgers geruisloos zijn opgenomen in de Zeeuwse samenleving blijkt ook al uit het feit dat Mina Auer de Walcherse klederdracht droeg. Helaas heeft het Salzburger dialect de Zeeuwse taal niet verrijkt. Zij het dat rond Cadzand een paar uitdrukkingen bestaan die de aanwezigheid van Lutherse Salzburgers haarfijn weergeven. Zo wordt gezegd; "De Salsburgers brochtn de luuzn, d'Ugenootn de kluutn." Wat er op neerkomt dat de Salzburgers de luizen meebrachten en de Hugenoten het geld. Want het was bij de onfortuinlijke Salzburgers over het algemeen armoe troef. Een andere uitdrukking die de sfeer aangeeft; "J'n eign Luthers 'ouwn." Wat zoveel betekent als; je koest houden of net doen of je neus bloedt.
Veel invloed rest niet van deze arme immigranten in Zeeuws Vlaanderen, dan dat een luthers kerkje bestaat in Groede. Hoort u namen als; Auer, Eggel, Ehrlich, Ekkebus, Fagginger, Keijmel, Neugebauer, Boltzius, Schnabel, Scheybeler, Wemelsfelder, Toutenhoof of Volmer, dan kunt u aannemen dat dit namen zijn van Salzburgse afstammelingen uit een ver verleden.
 |
Sibiu of Hermannstadt op de grens van Roemenië en Bessarabia
|
Evenmin viel veel geluk ten deel aan de Salzburgers die via Hamburg of Rotterdam naar Georgia in Amerika emigreerden. Na een tocht van acht weken over de Atlantische Oceaan kwam het eerste schip aan voor de kust van Charleston, South Carolina. Er volgenden daarna nog vier transporten. Pastor Boltzius en Gronau mochten aan wal, terwijl de passagiers aan boord moesten blijven. Schipbreuk dreigde toen het schip op een zandbank strandde. Uiteindelijk werd toestemming gegeven aan land te gaan, daarna vertrokken de vluchtelingen naar Georgia. Dertig kilometer ten noordwesten van Savannah werd een nederzetting gebouwd op arm landbouwgrond. De kolonisten leden zware ontberingen. De Ebenezer Creek voorzag niet in schoon drinkwater, waardoor veel ouderen en kinderen stierven.
 |
 |
Woning in Bessarabia
|
Lutthers Kerkhof Gnadenfeld
|
Veel minder gekend is dat lutherse vluchtelingen ook in oostelijke richting zijn vertrokken. Via de Donau bereikten ze een streek dat in de oudheid bekend stond als Dacia, maar later vernoemd werd naar de Roemeense vorst Basarab, waaruit de naam Bessarabia is ontstaan. Een tamelijk groot land wat sinds 1814 een deel van Roemenië is geworden.
Het is opvallend dat in dit land een grote multi-etnische samenleving is ontstaan van protestanten, joden, katholieken en orthodoxen afkomstig uit Duitsland, Polen, Bulgarije, Armenië en Rusland. Nog meer bijzonder is dat plaatsen Duitstalige namen hebben, zoals Gnadenfeld, Leipzig, Katzbach of Dennewitz, hoewel ze ook in drie andere talen worden aangeduid. Soms in het Moldavisch, dan weer in het Russisch of Roemeens. Onmiskenbaar een gebied met een indrukwekkende geschiedenis, dat meer aandacht verdient.
 |
Gedenkteken Salzburger Exulanten in Bessarabia
|
Photo source; Zeeuwse Bibliotheek, Private Archive, Wikipedia, Google Picture Gallery, Pfaender
Text © 2011 Albert Prins
|