
Onderweg kwamen we hem al tegen, de
wandelaar in zn eentje. Hij liep als een ervaren wandelaar, maar voor
ons toch in net een teentje te lichte cadans. Tijdens ons passeren
werden wij vriendelijk door hem gegroet.
Wij zaten al ruim
een kwartier aan een biertje toen de solistische wandelpassant terug kwam op het
honk. Na zich te hebben afgemeld, kwam hij op onze hoogte aan de bar
een drankje bestellen. Direct herkende hij ons, schoof twee krukken op om graag
nog even een praatje pot te maken. Waar wij vandaan kwamen, hoeveel kilometers
we hadden gelopen en of wij ook de Vierdaagse van Nijmegen lopen. Wat rond deze
tijd van het jaar een standaard vraag van de wandelaars lijkt te
zijn.
Nee, ook hij
liep m niet. Vroeger wel gedaan, maar met mijn zestig jaar vind ik die
prestatie niet meer nodig. Tegenwoordig loop ik niet meer dan 25 kilometer en
dat is genoeg, als je alleen loopt. Waarna hij na drie klokken bier nog
iets meer over zichzelf aan ons kwijt wilde: Ach weet je, voorheen liep ik
àltijd met mijn broer. Toen liepen we zelfs zaterdag en zondag. Maar ja
.
We begrepen dat dé vraag gesteld moest worden. Waarom nu niet meer met
uw broer? Mijn broer is nu al dertig jaar dood.
Even dachten wij dat er een loopje met ons werd
genomen.
|